5 september 1918 donderdag. Temse.

Geen nieuws.
zie ook Oorlogsdagboeken Raphaël Waterschoot wereldoorlog 1914 1918

gedichtenblog online
van 4-9-2018 tot en met 15-9-1918 (10-9 uitgezonderd) geen nieuws
nieuws overgeschreven uit NRC

19180905 – Voor Noyon trekt de Duitser verder terug, de Vesle-linie door de Fransman overschreden, Guinca bezet 
verordeningen
No. 82. 4. september 1918.
Verordening betreffende de oprichting eener Technische Hogeschool bij de Staatsuniversiteit te Gent
Art. 1. De Technische Scholen, ingericht krachtens de organische wet van 15 juli 1849 de koninklijke besluiten van 25 januari 1897 en 30 oktober 1900, de ministeriële Beschikkingen van 30 januari 1897 en 14 november 1900 en de Verordening van 21 februari 1918 en toegevoegd aan de faculteit der wiskunde en der natuurwetenschappen der Universiteit te Gent, worden ingericht tot een Technische Hogeschool bij de Staatsuniversiteit te Gent.
Art. 2. Het onderwijs wordt gegeven in het Nederlands. Bij het onderwijs in de moderne talen kunnen echter ook deze talen gebruikt worden.
Art. 3. De Technische Hogeschool omvat de volgende vijf afdelingen:
I. de afdeling der burgerlijke bouwkunde;
II. de afdeling der bouwkunst;
III. de afdeling der werktuigbouwkunde der scheepsbouwkunde en der electrotechniek;
IV, de afdeling der nijverheidskundige en der scheikundige technologie:
V. de afdeling der mijnbouwkunde.
Art. 4. Het onderwijs in elk dezer afdelingen behelst: A. de voorbereidende studie; B. de eigenlijke vakstudie.
A. DE VOORBEREIDENDE STUDIE. Hiertoe behoort de volgende leerstof:
1 de wiskundige analyse;
2. de waarschijnlijkheidsrekening;
3. de analytische meetkunde;
4. de beschrijvende meetkunde;
5. de theoretische mechanica (statica; dynamica);
6. de grafostatica en de nomografie;
7. de hoofdbegrippen der sterrenkunde en der aardmeetkunde;
8. de proefondervindelijke natuurkunde en de beginselen der theoretische natuurkunde;
9. de anorganische en de organische scheikunde;
10. de werktuigkundige technologie;
11. de toegepaste mechanica (kynematica; dynamica);
12. het handtekenen en het technisch tekenen;
13. taaloefeningen.
Daarenboven: I. In de afdeling der burgerlijke bouwkunde:
14. de toepassingen der beschrijvende meetkunde;
15. de perspectief;
16. de kennis van bouwstoffen;
17. de beginselen der bouwkunst;
18. de algemene delfstof kunde.

II In de afdeling der bouwkunde:
19. de toepassingen der beschrijvende meetkunde;
15. de perspectief;
16. de kennis van bouwstoffen;
17. de bouwkunst.
III. In de afdeling der werktuigbouwkunde, der scheepsbouwkunde en der elektrotechniek :
14. de toepassingen der beschrijvende meetkunde;
15. de beginselen der bouwkunst.
IV. In de afdeling der nijverheidskundige en der scheikundige technologie:
14. de analytische scheikunde en de docimasie;
15. de physische scheikunde;
16. de kennis van bouwstoffen;
17. de beginselen der paleontologie;
18. de algemene delfstofkunde.
V. In de afdeling der mijnbouwkunde:
14. de analytische scheikunde en de docimasie;
15. de physische scheikunde;
16. de beginselen der bouwkunst;
17. de beginselen der paleontologie;
18. de algemene delfstofkunde.
Het leerplan voor de wis en natuurkundige vakken der voorbereidende studie wordt, krachtens wederzijdse overeenstemming tussen de Technische Hogeschool en de faculteit der wiskunde en der natuurwetenschappen, door deze laatste ten uitvoer gebracht.
B. DE EIGENLIJKE VAKSTUDIE.

Hiertoe behoort de volgende leerstof:
I. In de afdeling der burgerlijke bouwkunde:
1, de toegepaste mechanica (leer der vastheid hydraulica);
2. de kennis van bouwstoffen en de technologie der ambachten;
4. Het landmeten en waterpassen;
4. de burgerlijke bouwkunde (aanleg van schouwkunde; brugbouw);
6. de bouwkunst (woningen en bedrijfsgebouwen); de werktuigbouwkunde (beschrijving en toepassing der werktuigen; werktuigonderdelen, werktuigkundige technologie);
7. de delfstofkunde en de aardkunde;
8. de technische natuurkunde;
9. de technische scheikunde;
10. de metallurgie;
11. de elektrotechniek;
12. het spoorwegwezen;
13. de bedrijfsleer (economisch en psychotechnisch);
14. de staats en maatschappijleer (staathuishoudkunde; bestuurswetenschap; sociale wetgeving);
15. de technische hygiëne;
16. de geschiedenis der bouwkunst.
II In de afdeling der bouwkunst:
1. de toegepaste mechanica (leer der vastheid; hydraulica);
2. de kennis van bouwstoffen en de technologie der ambachten;
3. het landmeten en waterpassen;
4. de burgerlijke bouwkunde (aanleg van wegen; funderingen; brugbouw);
5. de bouwkunst (woningen; monumentale gehouwen; bedrijfsgebouwen);
6. de stedenhouw, de landelijke houwkunst en de parken tuinaanleg);
7. de kunstgeschiedenis;
8. de vormenleer, stijlleer en compositie;
9. de bouwstijlen, meer in het bijzonder de Nederlandse en de hedendaagse bouwstijlen;
10. de aardkunde;
11. de technische natuurkunde;
12. de technische scheikunde;
13. de bedrijfsleer (economisch en psychotechnisch);
14. de staats en maatschappijleer (staathuishoudkunde; bestuurswetenschap; wetgeving op de bebouwing; sociale wetgeving; handelsrecht);
15. de technische hygiëne.
III. In de afdeling der werktuigbouwkunde, der scheepsbouwkunde en der elektrotechniek :
1. de toegepaste mechanica (leer der vastheid; hydraulica);
2. de kennis van bouwstoffen;
3. de werktuigbouwkunde (beschrijving en toepassing der werktuigen; werktuigonderdelen; werktuigkundige technologie);
4. de technische natuurkunde;
5. de technische scheikunde;
6. de metallografie;
7. de metallurgie;
8. de elektrotechniek inzonderheid de elektromotoren;
9. de bedrijfsleer (economisch en psychotechnisch);
10. de staats en maatschappijleer [staathuishoudkunde; bestuurswetenschap; sociale wetgeving; handelsrecht;
11. de technische hygiëne.
Daarenboven:
a) voor de studenten in de werktuigbouwkunde:
12. nadere onderwerpen uit de werktuigbouwkunde;
13. de mechanische warmteleer;
14. de mechanische meettechniek;
15. de bedrijfsgebouwen.
b) voor studenten in de scheepsbouwkunde:
12. de scheepsbouwkunde;
13. bijzondere onderwerpen uit de werktuigbouwkunde (bouw en toepassing van scheepswerktuigen en van hulpwerktuigen op schepen);
14. de toepassing der elektriciteit op schepen;
15. de inrichting van havens en waterwegen, scheepswerven en droogdokken;
16. de zeevaartkunde en de maritieme meteorologie;
17. de economische aardrijkskunde;
18. het volkenrecht.
c) voor studenten in de elektrotechniek:
12. de mechanische warmteleer;
13. de elektrische meettechniek;
14. de bouw der elektrische werktuigen;
15. de berekening en de aanleg van elektrische inrichtingen;
16. de zwakstroomtechniek;
17. de elektrochemie en de elektro metallurgie;
18. de toepassing der elektriciteit in de hygiëne;
19. de meteorologie;
20. de bedrijfsgebouwen.
IV. In de afdeling der nijverheidskundige en der scheiktindige technologie:
1. de hdraulica;
2. de werktuigbouwkunde (beschrijving en toepassing der werktuigen; werktuigonderdelen; werktuigkundige technologie);
3. de physische scheikunde;
4. de mechanische warmteleer;
5. de technische natuurkunde;
6. de technische scheikunde;
7. de metllographie;
8. de metallurgie;
9. de elektrotechniek;
10. de elektrochemie;
11. de technologie der ambachten;
12. de bedrijfsgebouwen;
13. de bedrijfsleer (economisch en psychotechnisch);
14. de staats en maatschappijleer (staathuishoudkunde, sociale wetgeving, handelsrecht);
15. de technische hygiëne;
16. de economische aardrijkskunde.
Daarenboven:
a) voor studenten in de nijverheidskundige technologie :
17. de leer der vastheid;
18. bijzondere onderwerpen uit de werktuigbouwkunde (verbrandingsmotoren en gasgeneratoren; stoomturbines; gereedschapswerktuigen; regulateurs; elektromotoren) ;
19. de mechanische meettechniek;
20. de nijverheidskunde.
b) voor studenten in de scheikundige technologie:
17. de analytische scheikunde;
18. de delfstofkunde;
19. de microbiologie;
20. de microscopische anatomie;
21. de scheikundige technologie.
V. In de afdeling der mijnbouwkunde:
1. de toegepaste mechanica (leer der vastheid; hydraulica);
2. de kennis van bouwstoffen;
3. het landmeten en waterpassen;
4. de werktuigbouwkunde (beschrijving en toepassing der werktuigen; werktuigonderdelen; werktuigkundige technologie);
5. de physische scheikunde;
6. de analytische scheikunde;
7. de delfstofkunde (met inbegrip der petrografie) en de aardkunde (met inbegrip der formatiën en der ertslagenkunde);
8. de technische natuurkunde;
9. de technische scheikunde;
10. de metallurgie;
11. de mijnbouwkunde (waaronder mijn meten en karteren, ontwerpen van mijn werken, mijnontginning);
12. de bedrijfsgebouwen;
13. de elektrotechniek;
14. het spoorwegwezen;
15. de bedrijfsleer (economisch en psychotechnisch);
16. de staats en maatschappijleer (staathuishoudkunde; bestuurswetenschap; sociale wetgeving; mijnrecht; statistiek);
17. de technische hygiëne;
18. de economische aardrijkskunde.
Verdere uitwerking en nadere wijziging van dit leerplan blijven voorbehouden.
Art. 5. De Technische Hogeschool verleent de academische wettelijkè graden en diplomas van:
1. kandidaat ingenieur;
2. ingenieur der burgerlijke bouwkunde;
3. mijningenieur.
Art. 6. De Technische Hogeschool verleent de academische wetenschappelijke graden en diploma’s van:
1. kandidaat-ingenieur;
2. ingenieur der burgerlijke bouwkunde;
3. bouwkundig ingenieur;
4. werktuigkundig ingenieur;
5. scheepsbouwkundig ingenieur;
6. elektrotechnisch ingenieur;
7. nijverheidskundig ingenieur of technoloog;
8. scheikundig ingenieur of technoloog;
9. mijningenieur.
Art. 7. De Technische Hogeschool heeft het recht, de academische graad en het diploma te verlenen van : doctor in de technische wetenschap (doctor-ingenieur).
Art. 8. De Technische Hogeschool verleent de wetenschappelijke graden en diplomas van:
1. kandidaat bouwleider;
2. gediplomeerd bouwleider. Deze treden in de plaats der tot nu toe bestaande graden en diploma’s van leerling-civiel conducteur en civiel-conducteur.
Art. 9. Het diploma van den academische wettelijke graad van kandidaat-ingenieur, vermeld onder 1 in artikel a wordt uitgereikt na ten minste twee jaren voorbereidende studie volgens leerplan vastgesteld voor de afdelingen der burgerlijke bouwkunde en der mijnbouwkunde, en na het afleggen van een examen in twee gedeelten. De diploma s van de academische wettelijke graden van ingenieur der burgerlijke bouwkunde en van mijningenieur vermeld onder 2 en 3 in Artikel 5, worden uitgereikt aan kandidaat-ingenieurs van den academische wettelijke graad na ten minste drie jaren vakstudie, volgens leerplan vastgesteld voor de afdelingen der burgerlijke bouwkunde en der mijnbouwkunde, en na het afleggen van een examen in drie gedeelten.
Art. 10. Het diploma van den academische wetenschappelijke graad van kandidaat-ingenieur, vermeld onder 1 in Artikel 6, wordt uitgereikt na ten minste twee jaren voorbereidende studie, volgens leerplan vastgesteld voor de onderscheiden afdelingen der Technische Hogeschool en na het afleggen van een examen in twee gedeelten.

De diploma s van de academische wetenschappelijke graden van ingenieur der burgerlijke bouwkunde, bouwkundig ingenieur, werktuigkundig ingenieur, scheepsbouwkundig ingenieur elektrotechnisch ingenieur , nijverheidskundig ingenieur of technoloog, scheikundig ingenieur of technoloog en mijningenieur, vermeld onder 2 tot 9 in Artikel 6, worden uitgereikt aan kandidaat-ingenieurs van den academische wettelijke of van den academische wetenschappelijke graad, na ten minste drie jaren vakstudie, volgens leerplan vastgesteld voor de onderscheiden afdelingen der Technische Hogeschool, en na het afleggen van een examen in drie gedeelten.
Art. 11. Het diploma van doctor in de technische wetenschap kan aan ingenieurs van een der academische wettelijke graden of der academische wetenschappelijke graden, vermeld in Artikels 5 en 6, worden uitgereikt op grond van een wetenschappelijk werk over een theoretisch of praktisch onderwerp uit de techniek, gedurende of na den regelmatige studietijd op te stellen, en een daarbij aansluitende wetenschappelijke bespreking.
Art. 12. Het diploma van den wetenschappelijke graad van kandidaat-bouwleider, vermeld onder 1 in Artikel 8, wordt uitgereikt na ten minste een jaar voorbereidende studie, volgens daarvoor vastgesteld leerplan, en na het afleggen van een examen in cens. Het diploma van den wetenschappelijke graad van gediplomeerd bouwleider, vermeld onder 2 in Artikel 8, wordt aan kandidaat-bouwleiders uitgereikt na ten minste twee jaren vakstudie, volgens daarvoor vastgesteld leerplan, en na het afleggen van een examen in twee gedeelten.
Art. 13. Met het onderwijs aan de Technische Hogeschool zijn belast, hoogleraren en docenten aan die Hogeschool zelve, alsmede hoogleraren en docenten in de faculteiten der Universiteit of aan de andere hij de Universiteit bestaande Hogere Scholen. De aan de onderscheiden hoogleraren en docenten der Technische Hogeschool opgedragen leerstof en toegekende bezoldigingen worden door de regering vastgesteld.
Daarnevens worden hoofdassistenten, assistenten en technische hulpleerkrachten naar behoefte aangesteld. Bovendien kunnen voor enkele voordrachten ook worden aangewezen, mannen van bijzondere verdienste op het gebied van wetenschap of techniek, en staande buiten de Hogeschool. Tot de Technische Hogeschool worden toegelaten, naar gelang van hunne voorbereiding en het doel hunner studiën:
a) gewone studenten;
b) vrije studenten;
c) toehoorders.
Alleen de gewone studenten worden toegeiaten tot de examens bedoeld in de Artikelen 9 tot 12.
Art. 15. Afzonderlijke regelingen zullen verschijnen:
1. betreffende de leerkrachten der Hogeschool, betreffende het bestuur der Hogeschool en betreffende de betrekking der Hogeschool tot de Universiteit;
2. betreffende rechten en plichten der studenten;
3. betreffende de vereisten voor de toelating en de toelatingsexamens;
4. betreffende de examens ter verkrijging der graden en het formulier der getuigschriften en diploma’s;
5. betreffende college en examengelden en verdere stortingen, vereist voor het bezoeken der Hogeschool en het deelnemen aan de examens;
6. betreffende het besturend personeel,
OVERGANGSBEPALINGEN.
Art. 16. De Technische Hogeschool kan aan studenten, die in den loop van het academisch jaar 1918—1919 of vroeger hunne technische studiën aan een Hogeschool hebben aangevangen, onder de vroegere voorwaarden, de tot nog toe voorziene wetenschappelijk graden en diploma’s van :
1 leerling-ingenieur;
2, civiel-ingenieur;
3. werktuigkundig ingenieur;
4. scheepshouwkundig ingenieur;
5. elektrotechnisch ingenieur;
6. nijverheidskundig ingenieur of technoloog;
7. scheikundig ingenieur of technoloog tot nadere regeling nog verlenen.
Art. 17. Bovenstaand leerplan wordt naar de mate der voorhanden erkende behoeften geleidelijk ten uitvoer gebracht. Het stadium van ontwikkeling blijkt telkens uit het jaarlijks opgemaakt programma der lessen der Universiteit te Gent.
Brussel, den 15 Augustus 1918,

affiches uit de collectie KOKW

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s