28 augustus 1918 woensdag. Temse.

Geen nieuws.
zie ook Oorlogsdagboeken Raphaël Waterschoot wereldoorlog 1914 1918

gedichtenblog offline van 1-5 tot 31-8
tot en met 29-08-1918 geen nieuws overgeschreven uit NRC
verordeningen

No. 80. 28. augustus 1918.
Verordening houdende Instelling van een bijzondere Commissie bij het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten.
Art, 1, Bij het ministerie van Wetenschappen en Kunsten wordt een bijzondere commissie ingesteld, die belast is met de uitvoering van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in de Verordening van 4 juni 1918 j houdende wijziging der wet van 15 juni 1914 tot regeling van het hoger onderwijs, en in de Verordening van dezelfden datum betreffende de voertaal in de middelbare onderwijsinrichtingen.
Art. 2. De commissie staat onder de leiding van een bijzonder hoofd, dat den persoonlijke titel voert van bestuurder aan het ministerie. Zij is verder samengesteld uit het vereist aantal leden, die dit ambt ofwel als bijbetrekking uitoefenen ofwel eershalve bekleden, benevens het nodig ondergeschikt personeel. Het hoofd der commissie geniet een maandelijkse vergoeding van 200 frank ; de leden, die hun ambt als bijbetrekking uitoefenen, genieten een maandelijkse toelage van 100 frank ; die, welke hun ambt eersthalve bekleden, een maandelijkse vergoeding van 120 frank.
Art. 3. Behoudens het recht der algemene bestuurders van het middelbaar en van het lager onderwijs om de commissie opdrachten te geven, en den plicht van het hoofd der commissie om aan beide algemene bestuurders verslag te doen, staat de commissie zelfstandig naast de afdelingen van middelbaar en lager onderwijs. Ten einde de algemene bestuurders in kennis te stellen met alle aangelegenheden, die hun afdelingen betreffen, wordt de briefwisseling van de commissie met derde personen of met overheden aan de algemene bestuurders van het middelbaar en van het lager onderwijs ter inzage medegedeeld.
Art. 4. De schoolopzieners moeten voor de gemeenten van Groot-Brussel en van de taalgrens (vgl. Artikel 9 der Verordening van 4 juni 1918, houdende wijziging der wet tot regeling van het lager onderwijs, en Artikel 1 der verordening van 4 juni 1918, betreffende de voertaal in de middelbare onderwijsinrichtingen) aan het hoofd der commissie de namen opgeven van de kinderen, die volgens de verklaring van de hoofden der scholen het onderwijs met het Nederlands als voertaal niet kunnen volgen. Elk dezer kinderen wordt door twee leden van de commissie ondervraagd. Het Hoofd van de commissie maakt de lijst van de kinderen, die volgens den uitslag van de ondervraging, het onderwijs met het Nederlands als voertaal niet kunnen volgen voor de wettelijke erkenning aan den minister over.
Art. 5. Op voorstel van het hoofd der commissie, kunnen telkens twee leden van de commissie worden afgevaardigd om door het bijwonen van het onderwijs en het stellen van vragen, toezicht uit te oefenen op het naleven van de voorschriften betreffende het gebruik der talen in de Klassen der scholen, vermeld in Artikel 9 van de Verordening van 4 juni 1918 het lager onderwijs, en in Artikel 1 der Verordening van dezelfden datum, betreffende de voertaal in de middelbare onderwijsinrichtingen. Het hoofd der commissie brengt regelmatig verslag uit over den uitslag dezer schoolbezoeken. Er zal geen inmenging in de bevoegdheden van het algemeen schooltoezicht plaats hebben.
Art. 6. Alle bestuurs- en gemeenteoverheden evenals de schoolbesturen, schoolopzieners en onderwijzer zijn verplicht aan de uitvoering dezer Verordening m de te werken en aan de leden van de commissie iedere vereiste hulp te verlenen, inzonderheid de gewenste inlichtingen te verschaffen.
Art. 7. De .Verwaltungschef (Hoofd van het burgerlijk bestuur) voor Vlaanderen is met de uitvoering dezer verordening belast.
Brussel, den 8 Augustus 1918,
No. 80. 28. augustus 1918.
Beschikking betreffende de benoeming der leden van de hogere Raad der instellingen van vooruitzicht in Vlaanderen. Op grond van Artikel 7 en 46 der Verordening van 14 maart 1918, betreffende de verzekering tegen ziekte, vroegtijdige gebrekkelijkheid en ouderdom in Vlaanderen (Wet en Verordeningsblad voor Vlaanderen, Nr. 38, hl. 371) en van Artikelen 2 en 3 der Verordening van 4 juli 1918, houdende oprichting van een Hogere Raad der instellingen van vooruitzicht in Vlaanderen (Wet en Verordeningsblad voor Vlaanderen, Nr. 69, hl. 662), beschik ik het navolgende :
Art. 1. Tot leden van den Hogere Raad, zijn voor de eerste maal benoemd, de heren :
1, J. fi. Bellefroid, beheerder van instellingen van vooruitzicht, te Antwerpen.
2 A. Brijs, beheerder van instellingen van vooruitzicht, bijgevoegd volksvertegenwoordiger, te Brussel.
3. E. Busson, beheerder van instellingen van vooruitzickt, te Antwerpen.
4. E, Everaerts, beheerder van instellingen van vooruitzicht, stadsbibliothekaris, te Oostende.
5. E, Goossens, voorzitter van een verbond van onderlingen bijstand, gewezen gemeenteraadslid, te Gent.
6. J. Impe, opziener der apotheken, te Brussel,
7. L. Masfranckx, bestuurder van verzekeringen en ociuafis, te Brussel ,
8 E. Primo, beheerder van instellingen van vooruitzicht, te Temse.
9. J. Rasschaert, nijveraar, te Wetteren.
10. L. Steven beheerder van instellingen van vooruitzicht, bijgevoegd volksvertegenwoordiger, te Brussel.
11. Dr. E. Verhees, algemeen secretaris van het ministerie van Nijverheid en Arbeid, te Brussel.
12. H. A, Vloemans, beheerder van instellingen van vooruitzicht, gewezen gemeenteraadslid, te Antwerpen.
13. Dr. J. Vogels, geneesheer, te Turnhout.
De heer Verhees is tot voorzitter, de heer Brijs tot bestendig verslaggever van den Hogere Raad der instellingen van vooruitzicht benoemd. Nadat de eerste verkiezing voor den Hogere Raad heeft plaats gehad, treden de onder cijfers 1, 3, 4, 8, 9, 10 en 12 genoemde leden af, indien zij niet verkozen worden.
Art. 2. Het ministerie van Nijverheid en Arbeid is met de uitvoering dezer beschikking belast.
Brussel , den 8 Augustus 1918.
No. 80. 28. augustus 1918.
Beschikking. Krachtens artikel 14, 21 en 22 van het koninklijk besluit van 6 oktober 1855, betreffende de ambtelijke ijking der maten en gewichten, wordt besloten : Bij het ijken van de maten, gewichten en weegtoestellen, die gedurende het dienstjaar 1919 aan de ijking onderworpen zijn, zullen de ijkers, overeenkomstig de bestaande bepalingen, volgende ijken bezigen :
1, de thans gebruikte bestendige merken,
2. de periodieke letter u (omega) voor de maten en gewichten, en het cijfer 19 (negentien) voor de weegtoestellen.
Brussel , den 15 Augustus.
No. 80. 28. augustus 1918.
Verordening betreffende de academische wettelijke graden en diploma’s van kandidaat en doctor in de wijsbegeerte en letteren, Groep: Archeologie en Kunstgeschiedenis. Voor het Vlaams bestuursgebied bepaal ik :
art 1. Artikel 13 der wet van 10 April 1891, betreffende de begeving der wettelijke graden en het programma der examens van Hoger onderwijs, wordt aangevuld als volgt : Het examen tot den graad van kandidaat in de wijsbegeerte en letteren omvat :  Voor de recipiendi, die zich voorbereiden tot den graad van Docter in de wijsbegeerte en letteren : C. kandidaten die zich voorbereiden tot de bijzondere studie van de archeologie en de kunstgeschiedenis : 1. Vertaling en verklaring van Latijnse schrijvers ; 2. Vertaling en verklaring van Duitse, Franse, Engelse of Italiaanse schrijvers (ten minste twee van de vier moderne talen komen in aanmerking) ; 3. Geschiedenis der Nederlandse letterkunde ; 4. Kort begrip der algemene letterkunde ; 5. Terminologie der kunstwetenschap ; 6. Overzicht van de kunstgeschiedenis der Oudheid ; 7. Overzicht van de kunstgeschiedenis van Europa.
Het examen omvat bovendien :
a) voor hen, die meer in het bijzonder de archeologie bestuderen : 1, Vertaling en verklaring van Griekse schrijvers ; 2, Geschiedenis der Oudheid ; 3, Aardrijkskunde der Oudheid;
b) voor hen, die meer in het bijzonder de kunstgeschiedenis bestuderen : 1, Vertaling en verklaring van Nederlandse schrijvers ; 2, Vaderlandse geschiedenis ; 3. Vaderlandse kunst topografie ; 4. Anthropogeographie van den Nederlandsen stam.
De vermelde vakken vereisen ten minste twee jaar studie; het examen wordt in twee gedeelten afgenomen ; de vermelde vakken gelden voor beide studiejaren, uitgenomen het kort begrip der algemene letterkunde, dat voorbehouden is voor het tweede studiejaar, en de anthropogeographie van de Nederlandse stam, die enkel voor het eerste studiejaar geldt. Bij ieder examengedeelte wordt een schriftelijk examen afgelegd ; dit examen omvat een opstel over de terminologie der kunstwetenschappen,
a) voor hen, die meer in het bijzonder de archaeologie bestuderen: een opstel over een onderwerp uit de kunstgeschiedenis der Oudheid ;
b) voor hen, die meer in het bijzonder de kunstgeschiedenis bestuderen : een opstel over een onderwerp uit de kunstgeschiedenis van Europa. Bij ieder examengedeelte behoort ook een proeve in de tekenkunst.
Art. 2. In Artikel 14 der wet van 10 april 1890/3 juli 1891, wordt voor de Staatsuniversiteit te Gent, een nieuwe groep aan de reeds bestaande vijf groepen toegevoegd, namelijk de groep : F. Archeologie en Kunstgeschiedenis.
De groep omvat volgende vakken :
a) voor hen, die meer in het bijzonder de archeologie bestuderen : 1. Encyclopedie der klassieke oudheidkunde ; 2. systeem en terminologie der kunstwetenschap ; 3. Kunstgeschiedenis der gehele Oudheid (Egypte, het oude Oosten, Griekenland, Rome) ; 4. Grondige verklaring van Nederlandse schrijvers ; 5. Grondige verklaring van Latijnse schrijvers (hoofdzakelijk bronnen van de kunstgeschiedenis der Oudheid) ; 6. Grondige verklaring van Griekse schrijvers (als onder 5); 7. Prehistorie ; 8. Ethnographie en kunst der natuurvolken ; 9. Esthetica ; 10. Psychologie ;
Of hen, die meer in het bijzonder de kunstgeschiedenis bestuderen : 1. Encylopedie der kunstgeschiedenis ; 2. Systeem en terminologie der kunstwetenschap ; 3. Kunstgeschiedenis der volken van Europa ; 4. Grondige kennis van de Nederlandse letterkunde ; 5. Vertaling en verklaring van laat-Latijnse schrijvers (hoofdzakelijk bronnen der middeleeuwse kunstgeschiedenis) ; 6. Grondige verklaring van Duitse, Franse, Engelse Italiaanse of Spaanse schrijvers (ten minste twee van de vijf moderne talen komen in aanmerking) ; 7. Kunst topografie van Europa ; 8. Kunstgeschiedenis van de volken van Voor-Azië ; 9. Esthetica ; 10. Psychologie. De vermelde vakken vereisen ten minste twee jaar studie. Het examen kan in eens of in twee gedeelten afgelegd worden. De slotbepalingen van Artikel 14, betreffende het indienen en verdedigen van een academisch proefschrift, gelden eveneens voor groep F.
Brussel , den 15 Augustv 1918.
No. 80. 28. augustus 1918.
Verordening betreffende de academische wetenschappelijke graden en diploma’s van kandidaat en licentiaat in de archeologie en de kunstgeschiedenis.
Art. 1. In aansluiting aan de Verordening van heden, betreffende de academische wettelijke graden en diploma’s van kandidaat en doctor in de wijsbegeerte en letteren, Groep : Archeologie en Kunstgeschiedenis worden, bij de Faculteit der wijsbegeerte en letteren van de Staatsuniversiteit te Gent de academische wetenschappelijke graden en diploma’s van kandidaat en licentiaat in de archeologie en de kunstgeschiedenis ingesteld.
Art. 2. Het onderwijs behelst de volgende vakken : 1. De oude en nieuwe kunstgeschiedenis; 2. De systematiek en terminologie der kunstwetenschap; 3. De kunst topografie; 4. De Latijnse taal; 6. De Nederlandse taal en letterkunde; 6. De algemene letterkunde; 7. De moderne vreemde talen; 8. De oude geschiedenis en aardrijkskunde; 9. De vaderlandse geschiedenis; 10. De prehistorie en de ethnographie; 11. De anthropogeographie; 12. De Estietica en de psychologie; 13. Het tekenen.
Art. 3. Niemand wordt tot het examen van licenciaat toegelaten, indien hij niet den graad van kandidaat verkregen heeft; niemand wordt tot het examen van kandidaat toegelaten, indien hij niet voldoet aan de voorwaarden, gesteld in hiernavolgend Artikel 4.
Art. 4. Tot de colleges in de archeologie en de kunstgeschiedenis, tot de academische wetenschappelijke graad van kandidaat in de archeologie en de kunstgeschiedenis, worden toegelaten:
a) de houders van een der goedgekeurde getuigschriften van volledig middelbaar onderwijs van den hogere graad, voorzien hij de Artikelen 5 lot 7 der wet van 10 April 1890/3 juli 1891, of, hij gebreke daarvan, van een getuigschrift van een der met goed gevolg afgelegde voorbereidende examens, voorzien hij de Artikelen 10 en 12 van voornoemde wet;
b) de houders van het eindgetuigschrift van de handelsafdeling aan een atheneum van het land, of aan een gemeentelijk of vrij onderwijsgesticht van dezelfde graad;
c) de houders van het einddiploma van een staatsmiddelbare normaalschool of van een middelbare normaalschool, die door den Staat erkend is;
d) zij, die met goed gevolg het toegangsexamen, voorzien hij hiernavolgend Artikel 5, hebben afgelegd, ten overstaan van een aan de Faculteit der wijsbegeerte en letteren ingesteld de commissie. In zover de diploma’s of getuigschriften waarvan sprake in lit. a), b), c) niet bewijzen, dat de houder een genoegzame kennis van het Latijn bezit, moet hij een aanvullend examen over dit vak afleggen. De hierboven bedoelde getuigschriften, moeten te rekenen van 1 januari 1920 door een onderwijsgesticht afgeleverd zijn, waar het onderwijs overeenkomstig de voorschriften van Artikelen 1 en 2 der Verordening van 4 juni 1918 ingericht is; de hierboven bedoelde examens moeten te rekenen van 1 januari 1920 in de Nederlandse taal afgelegd worden. Op voorstel van de Faculteit van wijsbegeerte en letteren, kan het ministerie van Wetenschappen en Kunsten vrijstelling van deze voorwaarden verlenen.
Art. 5. Het toegangsexamen, voorzien hij Artikel 4, lit. d), loopt over de volgende vakken: 1. De Nederlandse taal en, naar keus van den kandidaat twee der volgende talen: Duits, Frans, Engels, Italiaans; 2. De Latijnse taal; 3. De grondbegrippen der planimetrie en der stereometrie; 4. De grondbegrippen der algemene aardrijkskunde; 5. De algemene en de vaderlandse geschiedenis. Over de hierboven genoemde vakken wordt de kandidaat mondeling ondervraagd. Bovendien moet hij een schriftelijk examen afleggen, dat omvat: 1. Een vertaling uit het Latijn in het Nederlands; 2. Een vertaling uit het Duits Frans Engels of Italiaans in het Nederlands; 3. Een opstel over een onderwerp, rakende de kunstliteratuur of de geschiedenis.
Art. 6. Het examen tot den academische wetenschappelijke graad van kandidaat in de archeologie en de kunstgeschiedenis behelst de volgende vakken : 1. Vertaling en verklaring van Latijnse schrijvers; 2. Vertaling en verklaring van Nederlandse schrijvers; 3. Vertaling en verklaring van Duitse, Franse Engelse of Italiaanse schrijvers (ten minste twee van de vier moderne talen komen in aanmerking); 4. Geschiedenis der Nederlandse letterkunde; 5. Kart begrip der algemene letterkunde; 6. Terminologie der kunstwetenschap; 7. Overzicht van de kunstgeschiedenis der Oudheid; 8. Overzicht van de kunstgeschiedenis van Europa; 9. Geschiedenis en aardrijkskunde der Oudheid; 10. Vaderlandse geschiedenis en kunst topografie; 11, Anthropogeographie van den Nederlandse stam. De vermelde vakken vereisen ten minste twee jaar studie; het examen wordt in twee gedeelten afgelegd; de opgesomde vakken gelden voor beide studiejaren, uitgenomen het kort begrip der algemene letterkunde, dat voorbehouden is voor het tweede studiejaar en de anthropogeographie van den Nederlandse stam, die enkel geldt voor het eerste studiejaar. Bij ieder examengedeelte wordt een schriftelijk examen afgelegd; dit examen omvat:
a) Een opstel over de terminologie der kunstwetenschap;
b) Een opstel over een onderwerp uit de oude of nieuwe kunstgeschiedenis. Bij ieder examengedeelte behoort ook een proeve in de tekenkunst.

art, 7. Het examen tot den academische wetenschappelijke graad van licenciaat in de archeologie en de kunstgeschiedenis behelst de volgende vakken: 1. Systeem en terminologie der kunstwetenschap; 2. Oude en nieuwe kunstgeschiedenis ; 3. Verklaring van Latijnse schrijvers; 4. Grondige verklaring van Nederlandse schrijvers; 5. Verklaring van Duitse, Franse, Engelse, Italiaanse of Spaanse schrijvers (ten minste twee der vijf moderne talen komen in aanmerking); 6. Prehistorie; 7. Ethnographie; 8. Esthetica; 9. Psychologie; 10. Tekenen.
De vermelde vakken vereisen ten minste een jaar studie. Het examen wordt in eens afgenomen. Bij het examen behoort een schriftelijke verhandeling over een opgegeven onderwerp uit de oude of de nieuwe kunstgeschiedenis; de tijdsduur voor deze verhandeling bedraagt tweemaal 24 uren.
Art. 8. De examens (toegangsexamen, overgangsexamen, eindexamen) worden jaarlijks in twee zittingen, de eerste in juli, de tweede in oktober afgenomen. De inschrijvingen worden door het secretariaat der Universiteit aanvaard voor 1 juli, respectievelijk voor 1 oktober. Bij de inschrijving moet het examengeld ten bedrage van 36 frank voor het toegangsexamen, 50 frank voor de overgangsexamens en het eindexamen, alsmede 5 frank voor den dienst der examens, betaald worden.
Art. 9. De commissie die belast is met het afnemen der examens, bestaat uit ten minste 7 leden. Zij worden, op voorstel van de Faculteit, door het ministerie van Wetenschappen en Kunsten, voor een jaar benoemd. Het ministerie van Wetenschappen en Kunsten duidt onder de 7 leden den voorzitter aan. In geval van verhindering van een der leden, draagt de voorzitter zorg voor geschikte plaatsvervanging.
Art. 10. De examens worden in het openbaar gehouden. Zij worden ten minste acht dagen te voren in een plaatselijk blad en ad valvas in de Universiteit aangekondigd.
Art. 11. Ten bewijze dat het examen met goed gevolg is afgelegd, wordt aan den geëxamineerde een getuigschrift afgeleverd. Het formulier van dit getuigschrift wordt door het ministerie van Wetenschappen en Kunsten vastgesteld.
Art. 12. Voor het overige zijn de bepalingen van het koninklijk besluit van 29 juli 1869, betreffende de academische wetenschappelijke en de eerstegraden toepasselijk.
Brussel , 8 augustus 1918.
No. 80. 28. augustus 1918.
Bekendmaking betreffende het buiten koers stellen van de nikkelen vijfentwintig pfennigmuntstukken. Bij bekendmaking van 1 augustus 1918 van den heer Reichskanzler (Rijkskanselier) (B. G. Bl, U. 990) zijn de nikkelen vijfentwintigp fennigstukken buiten koers gesteld. Te rekenen van 1 oktober 1918 zijn zij niet meer te beschouwen als wettig betaalmiddel. Binnen het Duits Rijk aanvaarden de Reichs und Landeskassen (rijks en landskassen) nog ten laatste tot 1 januari 1919 nikkelen vijfentwintigpfennigstukken tegen de wettige waarde hetzij in betaling, hetzij ter uitwisseling met Reichsbanknoten (rijksbankbriefjes), met Reich kassenscheine (rijkskasbons), met Darlehenskassenscheine (voorschotkasbons) of, voor bedragen van minder dan 1 mark met klinkende munt. Binnen het gebied van het Generaal Gouvernement in België worden nikkelen vijfentmntigjpfennigstukken ten laatste tot 1 januari 1919 in betaling of ter uitwisseling aangenomen door al de openbare Duitse kassen. Deze kassen zijn echter niet verplicht doorboorde of op andere wijze dan door den gewone omloop aan gericht verminderde alsook nagemaakte muntstukken in betaling of ter uitwisseling te aanvaarden.
Brussel , den 17 augustus 1918,
No. 80. 28. augustus 1918.
Verordening ter uitvoering van Artikel 9 der Verordening van 4 juni 1918, houdende wijziging van de wet van 15 juni 1914 op het lager onderwijs. De termijn (10 September 1918), bepaald in de verordening van 5 Augustus 1918 (C. FI. Illa, 4799, Wet en Verordeningsblad, hh 760), cijfer II, wordt tot op 15 oktober 1918 uitgesteld.
Brussel , den 27 augustus 1918

affiches uit de collectie KOKW

postkaarten wo1: Nieuwpoort Busstation

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s