7 juli 1918 zondag. Sint Niklaas

Geen nieuws. 

zie ook Oorlogsdagboeken Raphaël Waterschoot wereldoorlog 1914 1918
07-07-2018 tot en met 11-07-2018 geen nieuws
gedichtenblog offline van 1-5 tot 31-8
tot en met  14-07-1918 en geen nieuws overgeschreven uit NRC

verordeningen

No. 65. 6. juli 1918.

Aanhangsel van de Verordening houdende wijzignDg der wet op het lager onderwijs. Lijst der aan de taalgrens gelegen gemeenten in het gebied dat tot de bevoegdheid van het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten te Brussel behoort.

I. Provincie Limburg: Bitsingen, Herstappe, Ehen-Emaal, Kruisworm, Otringen, Bukkelingen aan den Jeker, Ter Naaien, Wonk,

II. Provincie Brabant: Bierk, Lettelingen, Mark {enkei het gehucht Aheel
e) {Lahliau), Neerheilisem, Opheilisem, Sinte-Benelde, Sluizen,

III. Provincie Oost-Vlaanderen: Twee Akkers, Orroir, Amougies, Bozenaken, Bonse (enkel het gehucht Deurne) {Durenne).

IV. Provincie Westvlaanderen: Dottenijs, Herseeuw, Lowingen, Moeskroen NeerWaasten, Ploegsteert, Waasten. 2.
Verordening betreffende de voertaal in de middelbare onderwijsinrichting. Onder opheffing der artikelen 1 tot en met 5 der wet van 15 juni 1883 op het gebruik der Nederlandse taal hij het middelbaar onderwijs in Vlaanderen en der wetten 12 Mei 1910, rakende de studie der nieuwere uren in het middelbaar onderwijs, hogere graad verorden ik het volgende :
Art. 1. In al de onderwijsinrichtingen die onder toepassing vallen van de wetten van 1 juni 1850 en 15 juni 1881, met inbegrip der daaraan verbonden kindertuinen voorbereidende en andere afdelingen, wordt het onderwijs in alle vakken in de landstaal, het Nederlands, gegeven, met uitzondering van de nieuwe vreemde talen, welke door middel van deze talen zelf kunnen onderwezen worden. In de gemeenten Anderlecht-Kuregem, Brussel , Elsene, Etterbeek, Sint-Gillis, Sint-Pieters-Jette, Sint-J oost-ten Noode, Koekelberg, Laken, Sint-Jans-Molenbeek, Schaarbeek, Ukkel en Vorst, wordt deze bepaling met de volgende afwijkingen toegepast :

1. De Minister van Wetenschappen en Kunsten kan, voor een overgangstijd tot 1 september 1925, speciale inrichtingen of speciale afdelingen met het frans als voertaal toelaten voor kinderen, waarvan het bewezen is dat zij het onderwijs door middel van het Nederlands niet kunnen volgen. Het bewijs tot opneming in deze inrichtingen of afdelingen vereist, kan enkel door een verklaring vanwege den Minister van Wetenschappen en Kunsten verstrekt worden. In al de *Klassen dezer inrichtingen of afdelingen dient het Nederlands, als vak, gedurende ten minste zes uren in de week onderwezen te worden,

2. Buiten deze bijzonder toegelaten inrichtingen of afdelingen, wordt, hij het begin van het schooljaar 1918 — 1919, het Nederlands als voertaal ingevoerd in de kindertuinen, in de drie eerste studiejaren der voorbereidende afdelingen van de middelbare onderwijsinrichtingen, in het eerste studiejaar der middelbare onderwijsinrichtingen, lageren graad, in de drie eerste studiejaren der middelbare onderwijsinrichtingen, hogere graad, en in de bestaande Vlaamse afdelingen. De kinderen, die, bij het begin van het schooljaar 1918/ 1919, minder dan drie studiejaren in de voorbereidende afdelingen der middelbare onderwijsinrichtingen of minder dan een studiejaar in de middelbare onderwijsinrichtingen, lageren graad, of minder dan drie studiejaren in de middelbare onderwijsinrichtingen, hogere graad, onder richt met het Frans als voertaal genoten hebben, worden bij de onder 1 vermelde bijzondere inrichtingen of afdelingen ingedeeld, indien bewezen dat zij niet hij machte zijn het onderwijs door middel van het Nederlands te volgen,

3. Voor kinderen die bij het begin van het schooljaar 191811919, reeds gedurende de onder 2, in den eersten jaren, vermelde studiejaren, onderwijs met het Frans {als voertaal genoten hebben, kan het Frans als voertaal behouden blijven. Voor deze kinderen moet het Nederlands , als vak gedurende ten minste 6 uren in de week onderwezen worden. In zover di£n volgens het Nederlands nog niet de voertaal is, wordt het, van het schooljaar 1919 1920 af, telken jare in een volgend studiejaar ingevoerd.

Art. 2. Het onderricht in een tweede of meer talen, mag eerst in het eigenlijk middelbaar onderwijs, niet reeds in de voorbereidende afdeling, gegeven worden.

Art. 3. Van 1 januari 1919 af wordt enkel toegelaten lot de examens van : kandidaat in de wijsbegeerte en letteren, kandidaat-notaris, kandidaat in de natuurwetenschappen, kandidaat in de wis en natuurkunde, kandidaat ingenieur wie, ofwel

1. houder is van een goedgekeurd getuigschrift van volledige middelbare studiën, hogere graad, uitgereikt door een inrichting, waar het onderwijs volgens de voorschriften van artikelen 1 en 2 van deze Verordening gegeven wordt, oftewel

2. het voorbereidend examen, bij artikelen 10 en 12 der wet van l0 april 1890 voorgeschreven, in het Nederlands afgelegd heeft.

Art. 4, Deze  Verordening wordt op 1 september 1918 van kracht. Voorbereidende maatregelen dienen zonder uitstel getroffen te worden.
Art. 5. De Minister van Wetenschappen en Kunsten wordt met de uitvoering van deze
Verordening belast Hij kan, in zeer dringende gevallen, uitzonderingen op de bepalingen der Verordening toestaan echter niet voor een langere termijn dan drie jaar, te rekenen van het in werking treden dezer Verordening.
Art. 6. Al de met deze Verordening strijdige bepalingen zijn met ingang van 1 septemher 1918 ingetrokken.
Brussel , den 4n juni 1918,

No. 65. 6. juli 1918.

Verordening betreffende den toegang tot Openbare Ambten. Onder wijziging van artikel 49 der wet van o t i on verorden ik het volgende :
Art. 1. Van 1 januari 1919 af, wordt tot een openbaar ambt van Staat, provincie of gemeente, waartoe het afleggen van een wetenschappelijk of deskundig examen vereist «, enkel toegelaten, wie het bedoeld examen geheel in het Nederlands afgelegd heeft, of wie door een speciaal examen het bewijs levert, dat hij het Nederlands voldoende machtig is om zijn ambt te vervullen.
Art. 2, De verdere voorschriften, rakende de inrichting van het in Artikel 1 hedoeld speciaal examen en de aanstelling van de juri worden door den Minister van Wetenschappen en Kunsten vastgesteld.
Art. 3. In zover voor den toegang tot openbare ambten het afleggen van examens volgens Artikel 1 niet vereist is, behoren de kandidaten, die lagere studiën van den derden graad in 1919 of later voleind hebben, het getuigschrift van den derden graad over te leggen, dat voorzien is hij de Verordening van heden, houdende wijziging der wet van 15 juni 1914 tot regeling van het lager onderwijs ; van 1 september 1916 af, behoort bovendien het getuigschrift van den vierden graad overgelegd te worden, tenzij een getuigschrift van middelbare studiën wordt overgelegd.
Art. 4. Diploma’s, waarbij den houder op grond van de desbetreffende bepalingen gehele of gedeeltelijke vrijstelling van een of ander examen wordt verleend, komen in den zin dezer Verordening slechts in aanmerking, in zover zij uitgereikt worden door inrichtingen met het Nederlands als voertaal.
Brussel , den 4n Juni 1918.

No. 65. 6. juli 1918
Verordening betreffende de inbeslagneming en de afleveringsverplichting van verlichtingstoestellen en andere voorwerpen uit koper, nikkel, geelkoper, brons of tombak in huishoudingen, alsook in en aan gebouwen.
Art. 1. De Verordening van 13 december 1916, betreffende de inbeslagneming en afleveringsverplichting van huishoudelijke voorwerpen uit koper, tin, nikkel, geelkoper, brons of tombak {Wet en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, nr. 293), wordt hierbij toepasselijk verklaard op de hiernavolgende soorten van voorwerpen uit koper, nikkel, geelkoper, brons of tombak :

1. bevestigde verlichtingstoestellen, de geelkoper en delen van gasbranders er hij begrepen ;
2. afvoerkranen van waterleidingen ;
3. al de metalen delen van brandweertoestellen en sproeislangen, zoals hidranten, kleppen, koppelingen, mondstukken enz. ;
4. uitvloeibuizen (tuiten) van huishoudelijke waterpompen ;
5. al de vastgeklonken, gewelde of op andere wijze vastgemaakte handgrepen van vensters, alsook knoppen van kachels, haardvuren enz.
De hiervoren opgesomde voorwerpen zijn in beslag genomen en moeten afgeleverd worden, ook dan, wanneer zij niet in huishoudingen in engeren zin, maar in en aan bewoonde en onbewoonde openbare of private gebouwen aanwezig zijn {bv. in dienstlokalen van overheden, ekonomaten en spijslokalen van fabrieken, trapzalen).
Art. 2. Zijn niet in beslag genomen en moeten niet afgeleverd worden :
1. met koper, brons of geelkoper overtrokken {hv. gegalvaniseerde of geplatteerd
e) voorwerpen, die uit ijzer of uit een andere niet in beslag genomen stof vervaardigd zijn ;
2. voorwerpen in en aan kerken, andere gebouwen en lokalen die tot godsdienstige doeleinden dienen ;
3. de in Artikel 2, cijfer 1, (opgesomde voorwerpen, die ten minste voor de helft bestaan uit niet in beslag genomen stoffen ; hierbij worden de verlichtingsglazen (bv. ballons, lampekappen schalen walmvangers), alsook parelfranjes beschouwd als niet tot de verlichtingstoestellen behorende ;
4. de in Artikel 1, van cijfer 2 tot 5, opgesomde voorwerpen, die voor ten minste drie vierden uit niet in beslag genomen stoffen bestaan en waarvan de afzonderlijke delen onscheidbaar met elkander zijn verbonden (bv. vastgeklonken, aaneengeperst, geweld enz.) ;
5. eenlichtsgasverlichtingstoestellen, die minder dan 5 kilogram wegen ;
6. elektrische geleidingsdraden in en aan in beslag genomen verlichtingstoestellen, die ter plaatse nodig zijn voor de inrichting ener nieuwe verlichting. De ,Abteilung fur Handel und Gewerbe” Rohstoffver’ waltungsstelW {Afdeling voor Handel en Nijverheid, kantoor voor grondstoffen) zal in laatsten aarleg beslissen, of de voorwaarden van dit Artikel in gegeven gevallen aanwezig zijn.
Art. 3. De in Artikel 1 bedoelde voorwerpen moeten op een door de „Abteilung fiir Handel und Gewerbe, Rohstoffverwaltungsstelle** vast te stelen tijdstip afgenomen en afgeleverd worden.
Art. 4. De „Abteilung fiir Handel und Gewerbe, Rohstoffverwalungsstelle\ Kunstherlevingslaan 30 te Brussel , alsook de nog aan te duiden afleveriujs kantoren verstrekken inlichtingen nopens het aanschaffen van vervangingsartikelen voor de voorwerpen, die krachtens deze Verordening moeten worden afgeleverd. Het is verboden, zonder toelating van de bevoegde overheid, vervangingsartikelen voor de af te leveren voorwerpen in de fabrieksnijverheid te vervaardigen. De voorwerpen, die in strijd met dit verbod vervaardigd zijn, kunnen zonder vergoeding worden weggenomen. Dit verbod is evenwel niet toepasselijk op vervangingsartikelen, die in de ambachtsnijverheid vervaardigd en zonder tussenhandelaar aan den verbruiker geleverd worden. De ,,Abteilung fiir Handel und Gewerbe, Bohstoffverwaltungsstelle, zal in laatsten aanleg beslissen, of de voorwaarden van dit Artikel in gegeven gevallen aanwezig zijn.
Art. 5. Onderstaande prijzen worden met gereed geld betaald voor de in Artikel 1, cijfer 1, 2 en 3, opgesomde voorwerpen, die op de voorgeschreven wijze af geleverd zijn: voor voorwerpen vrij van voor voorwerpen met vreemde bestanddelen: vreemde bestanddelen: per kg. roodkoper, geelkoper, brons of tombak 10.— fr. 7.50 fr. per kg. nikkel 13.— „ 10. — „
Onderstaande prijzen worden met gereed geld betaald voor de in Artikel 1, cijfers 4 en 5 opgesomde voorwerpen, die op de voorgeschreven wijze af geleverd zijn : voor voorwerpen vrij van voor voorwerpen met vreemde bestandelen: vreemde bestanddelen: per kg. roodkoper 7.— fr. 5.20 fr. per kg. geelkoper of brons 6.— „ 4.50 „

Art. 6. De ,,Abteilung fur Handel und Gewerbe” is met de uitvoering van deze
Verordening belast en gemachtigd, de daartoe vereiste uitvoeringsvoorschriften uit te vaardigen.
Art. 7. De voorschriften der Verordening G. €. 7 Fa 23418 van 13 december 1916, alsook de voorschriften der Verordening van 17 juni 1917, houdende uitbreiding van de strafbepalingen der in verband met de oorlogseconomie uitgevaardigde Verordeningen, zijn, voor zover in deze Verordening niet anders is bepaald, voor het overige toepasselijk,
Brussel den 8 juni 1918.
affiches uit de collectie KOKW

19180704 Inbeslagneming van broodkoren

Advertenties