5 juli 1918 vrijdag. Sint Niklaas

J.lentacker trekt 185 soldatenvergoeding voor zijn zoon Leon.

zie ook Oorlogsdagboeken Raphaël Waterschoot wereldoorlog 1914 1918

gedichtenblog offline van 1-5 tot 31-8
tot en met 05-07-1918 en geen nieuws overgeschreven uit NRC
tot en met 5-07-1918 geen verordeningen

No. 65. 6. juli 1918.
Verordening houdende wijziging der wet van 15 juni 1914 tot regeling van het Lager Onderwijs. De wet op het lager onderwijs wordt voor Vlaanderen als volgt gewijzigd:

Art. 1. Artikel 5 van de wet luidt voortaan als volgt: Ten blijke van het nakomen van den wettelijke leerplicht worden, zonder onderscheid tussen openbaar en privaat onderwijs, twee getuigschriften van lager onderwijs ingesteld : het een, voor alle kinderen na het doorlopen van den derden graad; het ander, voor de kinderen die geen middelbare studiën doen, na het doorlopen van den vierden graad. Getuigschriften van den derden graad worden voor het eerst uitgereikt op het einde van het schooljaar 1918/19, getuigschriften van den vierden graad, op het einde van het schooljaar 1919/20; waar de vierde graad later ingericht wordt, op het einde van het tweede schooljaar na de inrichting. De getuigschriften bevestigen, dat het onderwijs 1. gedurende den opgelegde tijd en met de voorgeschreven regelmatigheid werd genoten {Art. 3 en 6 der wet van 15 juni 1914) ; 2. de vakken omvat heeft, die zijn opgesomd onder lid 1 van Artikel 17 der wet van 15 juni 1914, zoals dit bij deze Verordening gewijzigd wordt ;ten laatste sedert 1 September 1918 in de landstaal, het Nederlands, werd verstrekt, in zover niet volgens Artikel 20 der wet van 15 juni 1914, gewijzigd bij deze Verordening, een andere voertaal toegelaten is. Voor de kinderen, die, na zes jaar regelmatig schoolbezoek, het einde van den 3en graad, of, na acht jaar regelmatig schoolbezoek, het einde van den 4en graad, niet konden bereiken, mogen de getuigschriften niet deze titel dragen : „Getuigschrift van den derden graad” of „Getuigschrift van den vierden graad”. De getuigschriften worden ondertekend
a) voor de lagere scholen van Staat en gemeente, de aangenomen lagere scholen en de voorbereidende afdelingen der officiële of officieel ondersteunde middelbare scholen, door den burgemeester of een lid van het schepencollege, het hoofd der school en, waar het mogelijk is, door een of twee leden van het onderwijzend personeel ;
b) voor de aanneembare lagere scholen, de gans vrije lagere scholen en de voorbereidende afdelingen der gans vrije middelbare scholen, door een lid van het besturend of beschermend komiteit der school, het hoofd der school en, waar het mogelijk is, door een of twee leden van het onderwijzend personeel ;
c) voor kinderen die huisonderwijs genieter of door de ouders of den voogd en door de lesgevers, Deze kinderen dienen daarenboven een bijzonder examen af te leggen over het Nederlands dit examen wordt hij het einde van elk schooljaar, door een afgevaardigde van den Minister van Wetenschappen en Kunsten afgenomen. Is de uitslag van het examen gunstig, zoo zal de afgevaardigde op het getuigschrift bevestigen dat het kind het Nederlands voldoende machtig is en deze bevestiging eigenhandig ondertekenen. De vorm der getuigschriften van lager onderwijs wordt door den Minister van Wetenschappen en Kunsten nader bepaald, Het opgeven van onjuiste gegevens in de getuigschriften, alsook het gebruik van onjuiste getuigschriften, vallen onder de toepassing van Boek II, Titel 3, Artikel 4 van het Strafwetboek.

Art. 2. Aan Artikel 6 wordt volgend slotlid toegevoegd : Verandering van sclool is enkel hij het begin van een nieuw schooljaar en verder slechts hij verhuizing toegelaten. Uitzonderingen kunnen, in bijzondere gevallen, door den kantonnale schoolopziener toegestaan worden.

Art. 3. Artikel 8, lid 3, luidt voortaan als volgt : De waarschuwing en de kaarten brengen uitdrukkelijk in herinnering, dat het gezinshoofd vrij is zijn kinderen te zenden naar de school welke hij verkiest, indien deze met de bepalingen der wet van 15 juni 1914 in den vorm van deze Verordening overeenkomt en dat het verboden is, enigen dwang op hem uit te oefenen om hem een school op te dringen, welke niet de school zijner keuze mocht zijn. Bovendien wordt er uitvoerig in de waarschuwing en kortbondig op de kaarten gewezen op het belang van de getuigschriften van lager onderwijs, alsook op de gevolgen, die het plichtverzuim in dit opzicht voor de gezinshoofden en dezer kinderen i\a zich sleept (Art. 11,lid der wet van 15 juni 1914 in den vorm dezer Verordening en Art. 3 der Verordening van heden, betreffende den toegang tot openbare ambten).

Art. 4. Aan Artikel 11, lid 4, wordt het volgende toegevoegd : Bij herhaling kan een geldboete tot 50 frank uitgesproken worden. Bovendien wordt aan Artikel 11 volgend slotlid toegevoegd : De gezinshoofden, die verzuimen hun kinderen op den gepasten tijd de vereiste getuigschriften van lager onderwijs te laten verwerven, worden door den kantonnale schoolopziener bij den vrederechter aangeklaagd. De leden 1—8 van dat Artikel worden ook in dit geval toegepast.

Art. 5. Aan Artikel 13 wordt volgend slotlid toegevoegd: De gemeenten zijn er toe verplicht, voor de inrichting van kindertuinen (bewaarscholen) en scholen voor voortgezet lager onderwijs (scholen voor volwassenen) te zorgen, indien de regering oordeelt, dat daaraan behoefte bestaat.
Art. 6. Artikel 14, eerste lid, luidt voortaan als volgt : De gemeentelijke lagere onderwijsinrichtingen worden, onder toezicht van den Staat, door de gemeenten bestuurd. Het laatste lid van gemeld Artikel 14 vervalt.
Art. 7. Artikel 15, 2°, leden 1 en 2, luidt voortaan als volgt : Onder voorbehoud der tot op 1 januari 1914 bekomen vergunningen, moeten de leden van het onderwijzend personeel Staatsburgers zijn en,ofwel een

Art. 8. Artikel 17, eerste lid, luidt voortaan als volgt : Het lager onderwijs omvat noodzakelijk de volgende vakken : Godsdienst en zedenleer, de landstaal, d.i. het Nederlands,lezen,schrijven, de grondbeginselen der rekenkunde, het wettelijk stelsel van maten en gewichten aardrijkskunde, vaderlands geschiedenis, tekenen, de beginselen der gezondheidsleer, muziek en gymnastiek. Het onderwijs in andere talen dan het Nederlands mag eerst in den vierden graad verstrekt worden en zulks maar gedurende ten hoogste drie uren in de week voor elke taal. Het lager onderwijs omvat daarenboven
Art. 9. Artikel 20 luidt voortaan als volgt : In alle lagere scholen van Staat en gemeente, in alle aangenomen en aanneembare lagere scholen, alsook in alle openbare en uit openbare middelen ondersteunde kindertuinen (bewaarscholen), scholen van voortgezet lager onderwijs avondscholen en bijzondere leergangen, wordt het onderwijs in de landstaal, het Nederlands, gegeven. In de gemeenten Anderlecht-Kuregem Brussel , Elsene, Etterbeek Sint-Gillis, Sint-Pieters-Jette, Sint-Joost-ten Node, Koekelberg, Laken, Sint-Jans-Molenbeek, Schaarbeek Ukkel en Vorst, alsook in de gemeenten op de taalgrens die in het aanhangsel van deze verordening vernoemd worden, wordt deze bepaling met de volgende afwijkingen toegepast : L De Minister van Wetenschappen en Kunsten kan, voor een overgangstijd tot 1 September 1926, bijzondere inrichtingen of bijzondere afdelingen van lager onderwijs met het Frans als voertaal toelaten voor kinderen, waarvan het bewezen is, dat zij het onderwijs door middel van het Nederlands niet kunnen volgen. Het bewijs voor de opneming in deze inrichtingen of afdelingen vereist, kan enkel door een verklaring vanwege den Minister van Wetenschappen en Kunsten verstrekt worden. In al de *Klassen de 2e rinrichtingen, moet het Nederlands, als vak, gedurende ten minste zes uren in de week onderwezen worden.
2. Buiten deze specifiek toegekende inrichtingen en afdelingen, wordt, hij het begin van het schooljaar 1918/ 19, het Nederlands als voertaal ingevoerd, in de kindertuinen en ten minste in de drie eerste studiejaren van het lageronderwijs. De kinderen, die hij het begin van het schooljaar 1918/ 19, gedurende minder dan drie studiejaren van het hoger onderwijs, onderricht met het Frans als voertaal genoten hebben, worden hij de onder 1 vermelde bijzondere inrichtingen of afdelingen ingedeeld, indien het bewezen is, dat zij het onderwijs door middel van het Nederlands niet kunnen volgen.
3. Voor de kinderen, die hij het begin van het schooljaar 1918/19 reeds gedurende drie studiejaren van het lager onderwijs, onderricht met het Frans als voertaal genoten hebben, kan de Franse voertaal behouden blijven. Voor deze kinderen moet het Nederlands, als vak, gedurende ten minste zes uren in de week onderwezen worden ; ook moet de vaderlandse geschiedenis in het Nederlands onderwezen worden. In zover dienvolgens het Nederlands nog niet de voertaal is, wordt het, van het schooljaar 1919/20 af, telken jare in een volgend studiejaar ingevoerd.
4. Leerkrachten, die, volgens de bovenstaande leden, onderwijs met het Nederlands als voertaal moeten verstrekken en geen diploma hebben van een normaalschool met het Nederlands als voertaal, moeten volgens de nader door den Minister van Wetenschappen en Kunsten te treffen bepalingen, zonder uitstel in een bijzondere leergang in de Nederlandse taal, de bekwaamheid tot onderwijs geven in deze taal ver werven. Indien zij het Nederlands voldoende machtig zijn, kunnen zij, op hun verzoek, door den Minister van de verplichting tot het volgen van den leer gang vrijgesteld worden. Tegen leerkrachten, die stelselmatig weigeren zich te onderwerpen aan de verplichting tot het volgen van den leer gang, kan gehandeld worden volgens Artikel 25, lid 5, der wet.
Art. 10. artikel 24, aanvang, luidt voortaan als volgt: Als gemeenteonderwijzers kunnen enkel staatsburgers aangesteld worden houders van
Art. 11, Aan Artikel 11 wordt volgens slotlid toegevoegd : Aan de hoofdopzieners en aan de kantonnale opzieners hoofden sekretarissen toegevoegd, wier jaarwedde en bevoegdheid door den Minister van Wetenschappen en Kunsten geregeld worden.
Art. 12. In Artikel 41 wordt iusschen de eerste en de tweede zinsnede ingevoegd : De voeriaal is het Nederlands.
Art. 13. Artikel 43 luidt voortaan als volgt : De provinciale, de gemeentelijke, alsook de vrije normaalscholen, ontvangen geen staatstoelagen en kunnen geen wettelijke diploma’s uitreiken, indien zij zich niet aan het staatstoezicht onderwerpen, het Nederlands niet als voertaal gebruiken en indien hun onderricht niet van aard is om onderwijzers te vormen, bekwaam om onderwijs te geven in de lagere scholen, die naar de eisen dezer wet ingericht zijn.
Art. 14. In Artikel 45, laatste lid, wordt het woord , jaarwedde” door „vergoeding” vervangen.
Art. 15. Deze Verordening wordt op 1 september 1918 van kracht. De voorbereidende maatregelen dienen zonder uitstel getroffen te worden.
Art. 16. De Minister van Wetenschappen en Kunsten wordt met de uitvoering van deze Verordening belast. Hij kan, in zeer dringende gevallen, uitzonderingen op de bepalingen dezer Verordening toestaan, echter niet voor een langere termijn dan drie jaar, te rekenen van het inwerking treden dezer Verordening.
Art. 17. Al de met de voorschriften van deze Verordening strijdige bepalingen zijn met ingang van 1 September 1918 ignetrokken.
Brussel , den 4n juni 1918.
affiches uit de collectie KOKW

Kemmel op de kemmelberg

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s