08 februari 1918 vrijdag. Sint Niklaas

Geen nieuws

zie ook Oorlogsdagboeken Rafael Waterschoot wereldoorlog 1914 1918
van 05.02.1918 tot en met 10.02-1918: Geen nieuws
gedichtenblog terug online
tot en met 08-02-1918 geen nieuws overgeschreven uit NRC

verordeningen

No. 12. – 8. februari 1918.
Verordening betreffende de onteigening ten algemenen nutte in dringende gevallen. Art. 1. Wanneer tot een onteigening ten algemenen nutte hij dringendheid moet worden overgegaan, zijn de bestaande wetten en verordeningen, mits de hiernavolgende wijzigingen, toepasselijk:
Art. 2. Het bestaan van de dringendheid wordt vastgesteld hij het overeenkomstig artikel 1 der wet van 27 mei 1870 uit te vaardigen hesluit.
Art. 3. Het hij artikel 2 der wet van 17 april 1835 voorgeschreven exploot bevat vooreerst slechts een dagvaarding voor de rechtbank ten einde vast te stellen, of de wettelijk voorgeschreven pleegvormen inzake onteigeningen in acht genomen zijn. Voor het overige zijn de voorschriften van artikelen 2 tot en met 6 der wet van 17 Afril 1835 dienovereenkomstig van toepassing. Het voorschrift van artikel 8, lid 1, der wet van 17 april 1835 is dienovereenkomstig toepasselijk op de beslissing van de rechtbank, genomen overeenkomstig artikel 4 der wet van 17 april 1835 ten einde vast te stellen, of de wettelijk voorgeschreven pleegvormen inzake onteigeningen in acht genomen zijn.
Art. 4. Beslist de rechtbank dat de wettelijk voorgeschreven pleegvormen in acht genomen zijn en, wordt binnen den overeenkomstig artikel 6 der wet van 17 april 1835 bepaalden termijn geen beroep ingesteld, of blijkt op grond der beslissing van het Hof van Beroep, dat de wettelijk voorgeschreven pleegvormen inzake onteigeningen in acht genomen zijn, zoo zal de voorzitter der rechtbank, binnen drie dagen na het verstrijken van den termijn voor het beroep bepaald, respectievelijk bijaldien beroep ingesteld is, vijf dagen na het uitbrengen der beslissing van het Hof van Beroep, op aanzoek van de onteigenende partij, drie deskundigen benoemen, die hij den eed zal doen afleggen, dat zij de hun opgedragen taak goed en getrouw zullen vervullen. De deskundigen moeten ter plaatse de nodige waarnemingen doen en over den uitslag verslag opmaken, waarin inzonderheid te vermelden zijn de wezenlijke kenmerken van de percelen, erbij hegrepen de daarop voorkomende aanplantingen, gebouwen, omheiningen en andere toebehoren. Deze kenschetsing van den toestand moet uitvoerlijk genoeg behandeld zijn, om aïs grondslag te kunnen dienen voor de schatting van den bodem, evenals desvoorkomend van de huurwaarde, alsook van de schadeloosstelling wegens veranderingen, inzonderheid wegens beschadigingen des eigendom. Zij moet alles samen al de vereiste gegevens bevatten voor de vaststelling van een volledige en billijke vergoeding. De deskundigen moeten in hun verslag de door hen geschatte waarde van ieder perceel aanduiden en tevens de redenen opgeven waarop al hun schattingen steunen, Het verslag moet binnen een passende, door den voorzitter te bepalen termijn, die, ingaande op den dag der benoeming der deskundigen, niet meer mag bedragen dan twintig dagen, bij de rechtbank ingediend worden. Op aanzoek van een der partijen, zal over het advies der drie deskundigen, dat aan geen verdere pleegvormen en voorschriften onderworpen is, een mondelinge verhandeling plaats hebben. De termijn voor deze verhandeling, die binnen tien dagen na de indiening van het advies moet vallen, zal door den voorzitter vastgesteld worden. Binnen een verderen termijn van vijf dagen na den behandelingstermijn, bepaalt de voorzitter, rekening houdende met het advies der deskundigen en met de beweegredenen der partijen, het bedrag dat, naar zijn mening door de onteigenende partij voorlopig als vergoeding ten voordele van de onteigende te storten is in de Staatsconsignatiekas. De onteigenende partij moet, naast de hoofdsom, een bedrag ten belopen van de wettelijke intresten dezer hoofdsom voor twee jaar storten, Op vertoon van het bewijs der bewaargeving stelt de voorzitter de onteigenende partij in bezit van het perceel (Bespoedigde inbezitstelling in dringende gevallen) en bepaalt een termijn van ten hoogste veertien dagen, binnen dewelke de feitelijke bezitters gedwongen zijn de percelen te ontruimen. De onteigenende partij moet de feitelijke bezitters der percelen kennis geven van deze beschikking en van de termijnbepaling. De onteigenende partij neemt met deze inbezitstelling alleen de verantwoordelijkheid op zich voor al de kosten en vergoedingen.
Art. 5. De overeenkomstig vorenstaande artikel 4 uitgevaardigde beschikkingen van den voorzitter gelden dis eindbeschikking.
Art. 6, Nadat de bespoedigde inbezitstelling overeenkomstig artikel 4 dezer verordening heeft plaats gehad, wordt er overgegaan tot de eindvaststelling van de vergoeding, waarbij te werk dient te worden gegaan overeenkomstig de bepalingen van artikelen 2 en 3 der wet van 17 april 1835. Het exploot, voorgeschreven onder artikel 2, zal nu een dagvaarding voor de rechtbank bevatten om de vergoeding vast te stellen. Is de rechtbank van oordeel, dat het bedrag der vergoeding kan worden vastgesteld op grond van de te dien einde overgelegde oorkonden, of op grond van de adviezen der drie door den voorzitter aangestelde deskundigen, dan beslist de rechtbank onmiddellijk over het bedrag der vergoeding. Is zulks niet het geval, dan zijn de bepalingen van artikel 7 en volg. der wet van 17 april 1835 dienovereenkomstig op de verdere handelingen met dien verstande toepasselijk, dat, overeenkomstig artikel 12 der wet van 17 april 1835 slechts een bewaargeving vereist is, in geval de wettelijk vastgestelde vergoeding meer bedraagt dan de door den voorzitter voor de bespoedigde inbezitstelling voorlopig vastgestelde vergoeding. In dat laatste geval is artikel 18 der wet van 17 april 1835 dienovereenkomstig toepasselijk.
Art. 7. De voorschriften van het koninklijk besluit van 24 september 1907, houdende vaststelling der aanspraken en vergoedingen van deskundigen naar aanleiding der onteigeningen ten algemenen nutte, zijn, in het geval voorzien onder artikel 4 dezer verordening (bespoedigde inbezitstelling in dringende gevallen) dienovereenkomstig van toepassing.
Brussel dn 17 n januari 1918.

No. 12. – 8. februari 1918.
Verordening betreffende het verkeer van voertuigen op de stedelijke en landelijke openbare wegen van het Generaal Gouvernement België, ter beveiliging van bet verkeer van militaire voertuigen.
Art. 1. De door Duitse soldaten geleide voertuigen met inbegrip van de motorwagens, hebben op de stedelijke en op de landelijke openbare wegen den voorrang op alle andere voertuigen.
Art. 2. Al de voertuigen {met uitzondering van de door Duitse soldaten geleide voertuigen en van de motorwagens, die voorzien zijn van de door de “Leitung des Kraftfahrwesens beim Generaal-Gouvernement Belgien” opgegeven herkenningsletters en -nummers, moeten van voren of op den linkerkant in duidelijke, tegen het weer hestand zijnde lettertekens den naam en de woonplaats van den bezitter dragen.
Art. 3, De voerlieden moeten onderweg voortdurend in het bereik van het gespan blijven, zodat zij steeds in staat zijn, het voertuig met zekerheid te mennen. Hetzelfde geldt dienovereenkomstig voor de geleiders van vrije gespannen en van lastdieren.
Art. 4. Het is verboden, behoudens een bijzondere toelating, hespannen of niet hespannen voertuigen, gespannen of lastdieren op den openharen weg te laten staan, tenzij voor het laden en het lossen, of om enige andere steekhoudende reden. In zulke gevallen mogen de voertuigen enz. slechts zoo danig geplaatst worden, dat het openhaar verkeer daardoor op generlei wijze gestremd kan worden.
Art. 5. Het plaatsen en het verkeer van voertuigen enz. op stoepen (trottoirs), rijwielwegen en ruiterpaden is verboden.
Art. 6. Voertuigen enz. moeten rechts uitwijken; evenzo moeten zij den rechterkant van den weg nemen, wanneer andere voertuigen enz. ze voorbijrijden. Een voertuig dat een tweede voorbijrijdt, moet links van dit tweede voertuig voorbijrijden. Voor kruisende of voorbijrijdende voertuigen en motorwagens van het Duits legerbestuur is de weg in ieder geval onmiddellijk vrij te laten, ook dan wanneer vrachtwagens te dien einde den steen- of kasseiweg moeten verlaten. De voerlieden moeten goed letten op de seinen door motorwagens gegeven.
Art. 7. Op verkeerwegen die een steen- of kasseiweg hebben van meer dan 5 meter breedte, moeten al de voertuigen enz. op den rechterkant van dezen rijweg blijven.
Art. 8. Overtreders worden met hechtenis, arrest of gevangenzitting van ten hoogste een jaar, of met ten hoogste 4000 mark boete gestraft, zoover andere wettelijke bepalingen geen zwaarder straf voorzien.
Art. 9. H et hier te lande als wet geldende „Algemeen reglement op de Politie van het Vervoer en van het Verkeef blijft naast de voorschriften van deze verordening in zijn vollen omvang van kracht.
Art. 10. De Duitse krijgsbevelhebbers en krijgsrechtbanken zijn bevoegd de overtredingen van vorenstaande verordening te bestraffen, zoover de Belgische overheid niet reeds een passende straf heeft opgelegd.
Brussel, den 22 januari 1918.

No. 12. – 8. februari 1918.
Beschikking. Ten einde de studenten, die zich uit hoofde van de bestaande moeilijkheden in het verkeer, niet konden aanbieden op den regelmatige Oktoberzittijd van de jury, belast met het afnemen der ‘ examens eveneens in de gelegenheid te stellen, het voorbereidend examen tot den wettelijke graad van kandidaat-ingenieur af te leggen, wordt er besloten:
Art. 1. In den loop van de maand februari 1918 zal de jury, belast met afnemen van het voorbereidend examen tot den wettelijke graad van kandidaat-ingenieur aan de bij de Staatsuniversiteit te Gent toegevoegde Technische Scholen, een buitengewone zittijd houden.
Art. 2. Dezelfde jury, die bij artikel 1, cijfer 1, der beschikking van 20 juni 1917 is aangesteld voor het afnemen van het voorbereidend examen, blijft voor dezen buitengewone zittijd bevoegd; professor Haerens zal evenwel vervangen worden door professor Van den Berghe, den nieuwen bestuurder der Technische Scholen.
Art. 3. Voor de studenten, die gedurende dezen buitengewone zittijd het voorbereidend examen zullen hebben afgelegd, wordt, met het oog op de wetsbepalingen betreffende den wettelijke duur der studiën, het tijdsverloop tot den examenzittijd van juli 1918 aan de Universiteit te Gent aïs een volledig academisch jaar aangezien. Art. 4, Het Hoofd van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschef) voor Vlaanderen is belast met de uitvoering van deze beschikking. Brussel, den 19n januari 1918,
No. 12. – 8. februari 1918.
Beschikking. Overeenkomstig artikel 4 der beschikking van 19 januari 1918 van den heer Generaal Gouverneur in België, wordt er hesloten:
Art. 1. De zittijd van de jury, belast met het afnemen van het voorbereidende examen tot den wettelijke graad van kandidaat ingenieur, zal dinsdag, 12 februari 1918, van af 9 uur ’s voormiddag gehouden worden in het gebouw der Technische Scholen, Flateausiraat te Gent De inschrijvingen worden aldaar tot 11 februari 1918 aangenomen.
Art. 2. De Beheerder-Opziener der Universiteit te Gent is helast met de uitvoering van deze beschikking, Brussel, den 23n januari 1918.

No. 12.-8. februari 1918.
Besluit. Of grond der organische wet van 15 juli 1849 op het hoger onderwijs, wordt er besloten:
Art. 1. De hij besluit van 31 januari 1917 benoemde docent aan de hij de Universiteit te Gent toegevoegde Hogere School voor Handelswetenschap K ar el De Vriese, wordt, nadat hij bij hesluit van 30 Augustus tot opziener in het Ministerie van Nijverheid en Arbeid is benoemd geworden, uit zijn ambt als docent aan de hij de Unwersiteit te Gent toegevoegde Hogere School voor Handelswetenschap, met werking van af 30 Novemher 1917, ontslagen.
Art. 2. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschef) voor Vlaanderen is belast met de uitvoering van dit besluit. Brussel, den 24n Januari 1918.
affiches uit de collectie KOKW

 

postkaart Diksmuide de kerk

 

Advertenties