21 april 1916 vrijdag Sint Niklaas

Geen nieuws.

Uit Nrc overgeschreven
19160421 – De Italiaan neemt de Lanabergpas en enige bergen in. 
19160421 – Trebizonde door de Rus genomen die reeds 150 km ver in den Turk zijn land zit. 

zie ook http://www.oorlogsdagboek.org

Verordening betreffend de voertaal in de lagere gemeentescholen, in de aangenomen en aanneembare scholen van het Vlaamse land. Voor het Vlaamse land wordt, in uitvoering van art. 20 der organische wet van 15 Juni 1914 op het lager onderwijs, het volgende beschikt:

Art. 1. Tot het Vlaamse land in den zin van dit besluit behoren, de bij koninklijke besluiten van 31 Mei 1891 en van 10 Januari 1896 (Moniteur belge van 12 Juni 1891 en van 23 Januari 1896) opgesomde gemeenten, Gemmenich uitgezonderd.
Voor de bij Groot-Brussel behorende gemeenten: Anderlecht, Etterbeek, Jette, Koekelberg, Laken, St.-Jans-Molenheek, Ukkel en Vorst, gelden de bijzondere
bepalingen van het besluit van 25 Februari1916 (Wet- en Verordeningsblad nr. 186) en der daartoe uitgevaardigde uitvoeringsbepalingen van 18 Maart 1916 (Wet- en Verordeningsblad nr. 192).

Art. 2. In het Vlaamse land geldt de Vlaamse taal als moedertaal der kinderen, zoo niet het gezinshoofd in ene bijzondere, hij het aangeven van het kind overgelegde schriftelijke verklaring, ene andere taal als moeder- of omgangstaal van het kind aangeeft.
Deze verklaring moet voor den helen duur van ’s kinds schoolplicht in het schoolarchief bewaard worden.

Art. 3. De gebeurlijke verklaring van het gezinshoofd wordt door het schoolhoofd getoetst om te zien, of het kind in staat is, in de aangegeven taal met vrucht de lessen te volgen. Dit onderzoek moet steunen op: de afstamming van het kind, de omgangstaal zijner naaste omgeving en inzonderheid de kennissen van het kind zelf. Beslist het schoolhoofd, dat het kind niet in staat is, in de aangegeven taal met vrucht de lessen te volgen, zoo moet hij dit besluit op de verklaring van het gezinshoofd neerschrijven, dit zonder verwijl het gezinshoofd mededelen, en er op wijzen dat het hem, overeenkomstig art. 20 der wet, vrijstaat bij het schooltoezicht in beroep te komen; dezes beslissing moet eveneens op de verklaring van het gezinshoofd worden aangetekend.

Art 4. Nadere voorschriften betreffende de wijze waarop de nauwgezetheid van het onderzoek en de juistheid van de beslissing van het schoolhoofd (art. 3) door het schooltoezicht zullen verzekerd en nagegaan worden, blijven voorbehouden.

Art. 5. Is voor een kind de voertaal overeenkomstig bovenstaande voorschriften vastgesteld, dan blijft deze bepaling zolang van kracht, aïs het kind ene der in het opschrift van dit besluit opgesomde scholen bezoekt.

Art. 6. Wordt ene school door kinderen met verschillende moedertaal bezocht, zoo wordt het onderwijs in de taal der meerderheid der leerlingen gegeven. Het is verboden klassen of afdelingen met dubbele voertaal in te richten. Evenwel zal gezorgd worden, dat, wanneer in enen jaargang ten minste 20 leerlingen zijn, wier moedertaal niet de voertaal is, voor deze ene eigene klas ingericht wordt. De ondersteuning door den staat geschiedt volgens de voorschriften van het besluit van 20 September 1898.

Art. 7. Zijn er in ene school kinderen met verschillende moedertaal, zoo zal het schoolhoofd kort na aanvang van het schooljaar, den kantonnale schoolopziener kennis geven van het aantal kinderen, die in elke jaargang zitten en welke bijzondere klassen en afdelingen voor hen ingericht werden.

Art. 8. Aan het onderwijs in de moedertaal moeten ten minste worden besteed:
In den eersten graad 6 volle schooluren per week
tweeden graad 5 volle schooluren per week
derden graad 4 volle schooluren per week
vierden graad 4 volle schooluren per week.

Art. 9. Het blijft de gemeente of het schoolbestuur vrij, ene of meer talen dis vrij leervak, op het leerplan op te nemen. Opdat hierdoor echter het grondig aanleren der moedertaal niet geschaad worde, mag voorshands met dit onderwijs niet voor het 6e schooljaar warden aangevangen en mogen er niet meer dan drie voile of zes halve uren wekelijks aan besteed worden.

Art. 10. Geen onderwijzer mag in ene klas onderwijs geven, indien hij de voor deze klas vastgestelde voertaal niet volkomen machtig is.

Art 11. Geen onderwijzer mag, behalve hij het onder art. 6 en 9 voorzien onderwijs, de leerlingen in het vrij gebruik der moedertaal beperken.

Art. 12. Handboeken en leermiddelen voor de afzonderlijke vakken moeten in de taal opgesteld zijn, die voor dit vak als voertaal voorgeschreven is. Voor diplomas en getuigschriften moet de voertaal der klas worden gebruikt, waartoe de leerling behoort. Hetzelfde geldt voor de bekendmakingen van het schoolbestuur en de schriftelijke mededeelingen aan de ouders der leerlingen.

Art. 13. Worden vorenstaande bepalingen of de op grond ervan genomen schikkingen van het schooltoezicht of van het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten niet nageleefd, zo loopt de gemeente of het schoolbestuur gevaar, dat hun de staatsondersteuning geheel of gedeeltelijk onttrokken wordt.

Art. 14. De voorschriften van deze Verordening worden voor de twee jongste jaargangen twee weken na de afkondiging, voor het overige met aanvang van het schooljaar 1916/17 van kracht.
Brussel, den 22n April 1916.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s