31 maart 1916 vrijdag. Sint Niklaas

Niets te melden

uit NRC niets overgeschreven

Verordening *** betreffend het opnemen van met vroege aardappelen beplante vlakten in de provinciën Brabant en Antwerpen.

Art. 1. Tussen 10 en 15 April 1916 worden in de provinciën Brabant en Antwerpen de met vroege aardappelen beplante akkervlakten van elke grootte opgenomen.

Art. 2. De opneming geschiedt per gemeente. De uitvoering ervan valt den gemeentebesturen ten laste, die daartoe de haar afgeleverde formulieren moeten gebruiken.

Art. 3. De bezitters van grondstukken waarop vroege aardappelen geplant zijn, of hun lasthebbers moeten, binnen het onder art. 1 aangegeven tijdsverloop, de met vroege aardappelen beplante akkervlakten op het gemeentekantoor aangeven en aldaar de voorgeschreven formulieren invullen.

Art. 4. De aangifte van de met vroege aardappelen beplante vlakten moet in de gemeente geschieden, vanwaar uit ze bebouwd worden.

Art. 5. De gemeenteoverheden of de van haar opdracht hebbende personen zijn bevoegd, tot het bekomen van juiste aangiften over de bebouwde vlakten, de grondstukken der tot aangifte verplichte personen te betreden en aftemeten,, evenals met het oog op de grootte van landbouwgronden bij het kadaster om inlichtingen te verzoeken.

Art. 6. De bezitters van grondstukken waarop vroege aardappelen geplant zijn, of hun lasthebbers, die opzettelijk of uit nalatigheid de aangiften, waartoe zij op grond dezer Verordening gehouden zijn, niet of onjuist of onvolledig doen, worden met ten hoogste 6 maand gevangenis of met ten hoogste 10,000 mark boete gestraft. Beide straffen kunnen tegelijk uitgesproken worden.

Art. 7. Bevoegd zijn de krijgsbevelvoerders en de krijgsrechtbanken.

Art. 8. De „Verwaltungschef’ is met de uitvoering dezer Verordening belast,
Brussel, den 25n Maart 1916.

afbeelding uit l’illustration Veurne in de sneeuw

Advertenties

30 maart 1916 donderdag Sint Niklaas

Geen nieuws.

zie ook http://www.oorlogsdgaboek.org

niets overgeschreven uit NRC

Verordening over het aanslaan van woudbomen.

§ 1. De (Militaire) Gouverneurs en de Kommandanten van Maubeuge en Beverloo hebben het recht, volgens nadere aanwijzing het aanslaan van ongevelde, afzonderlijke of in wouden staande bomen te bevelen.
§ 2. De beslagneming moet elke bezitter en, indien dit niet doenlijk is, den burgemeester der gemeente door overhandigen van een beslagnemingsbewijs, worden ter kennis gebracht.

§ 3. Met de overhandiging van dit inbeslagnemingsbewijs verliest de bezitter het recht, over de inbeslaggenomen stapels te beschikken. Dit recht gaat over op de bevelvoerders, die de beslagneming bevolen hebben.

§ 4. De betaling wordt na het weghalen van het hout op grondslag van den vredesprijs van 25 Juli
1914 geregeld,

§ 5. Wie over het inbeslaggenomen hout door verkoop, verpanden of op andere wijze beschikt, of wie aan het aangeslagen hout zonder bijzondere toelating van den bevelvoerder, die de inbeslagneming bevolen heeft, wijzigingen toebrengt, wordt ongeminderd de andere in aanmerking komende strafbepalingen, met ten hoogste 5 jaar gevangenis of met ten hoogste 5 jaar gevangenis of met hoogste 20.000 mark. boete gestraft. Ook kunnen beide straffen tegelijk, evenals de verbeurdverklaring van het hout worden uitgesproken.

§ 6. Bevoegd zijn de Duitse krijgsbevelvoerders en de krijgsrechtbanken.
Brussel, den 22n Maart 1916.

foto uit l’illu maart 1916 Nieuwpoort onder de sneeuw

29 maart 1916 woensdag Sint Niklaas

Wij krijgen tegenwoordig veel slecht grijs brood te eten, ’t is nog eenen deeg van binnen.

overgeschreven uit NRC 19160329 – Gevecht in de noordzee. De Duitsche hulpkruiser Greiff laat zich in de lucht vliegen nadat hij den Engelschen kruiser Alecantara getorpedeerd heeft. 

zie ook http://www.oorlogsdagboek.org

Verordening * * * betreffende de regeling der bierbevoorrading.

Om de geregelde voorziening van hier der burgerbevolking te verzekeren, bepaal ik het volgende:

Art. 1 Er wordt een Brouwerijtoezichtskantoor met Brussel tot zetelplaats opgericht, waarvoor de
Verwaltungschef de leden benoemt.
Art. II Het Brouwerijtoezichtskantoor heeft het recht, alle tot het regelen van een geschikte bierbevoorrading vereiste maatregelen te nemen, inzonderheid:
a) opneming van de voorhanden, evenals van andere tot brouwdoeleinden bruikbare grondstoffen te doen, de hiertoe vereiste inlichtingen te verlangen en er de juistheid van te toetsen;
h) aanwijzingen omtrent de hoeveelheid der door de brouwerijen te verwerken grondstoffen te geven;
c) bevelen uit te vaardigen omtrent de verdeling der voor de brouwerijen beschikbaar te stellen grondstoffen;
d) in het belang van een evenredig voorzien der brouwerijen van grondstoffen, het afstaan van grondstoffen door de een brouwerij aan de andere tegen passende vergoeding opteleggen en te dien einde de aftestane grondstoffen desnoods aan te slaan;
e) voorschriften omtrent het hoogste gehalte van het bier uit te vaardigen.

Art. III. De onder art. II aangeduide vergoedingssom door de overnemende aan de leverende brouwerij te betalen, wordt door het Brouwerijtoezichtskantoor vastgesteld. Tegen den vastgestelde prijs hebben de belanghebbenden het recht, de beslissing van een schattingskommissie in te roepen. De beslissing deze door den Verwaltungschef aan te stellen kommissie, waarin ook vakmannen van het brouwerijbedrijf zitting zullen hebben, is zonder beroep.

Art. IV, De voorschriften van art. III lid 2 der Verordening van 20 Juli 1915 worden opgeheven, zoverre zij met art. II. en c dezer Verordening in strijd zijn.

Art. V. Uitvoeringsvoorschriften worden door den Verwaltungschef uitgevaardigd.

Art. VI. Overtredingen van de op grond dezer Verordening door den „Verwaltungschef het Brouwerijtoezichtskantoor of dezer lasthebbers uitgevaardigde schikkingen, worden met ten hoogste één jaar gevangenis, of met ten hoogste 10.000 mark. boete gestraft.
Bovendien kan voor enigen tijd of voor goed het sluiten van het bedrijf uitgesproken worden.

Art. VII. Bevoegd zijn de Duitse krijgsrechtbanken en de Duitse Krijgsoverheden. Brussel. den 21n Maart 1916.

afbelding uit http://leiden.courant.nu/issue/LD/1916-04-27/edition/0/page/7
is wel krant van 1 maand later

28 april 1916 vrijdag Sint Niklaas

Alle bosschen van Sint Nikolaas worden door het Duitsch legerbeheer in beslag genomen afficheeren de Duitschers. De schoonste sparren worden uitgedaan en naar het front gestuurd.

zie ook
http://www.oorlogsdagboek.org

uit NRC niets overgeschreven

Bestrijding der schurft onder de paarden der burgerbevolking. ***
Bij uitbreiding van nr. II van het besluit des Generaals-Gouvernement in België, Sect. IVc nr. 1390
van 29n December 1914, wordt bepaald, dat bij elke onder nr. II aangegeven aanleiding, het onderzoek van den veearts zich voortaan ook tot schurft (sarkoptesen dermatokopte- schurft) moet uitstrekken. In de volgens § S nr. II, door de gemeenten hij de „Kreischefs’ in te zenden verslagen moet de uitkomst afzonderlijk vermeld worden. Brussel, den 21n Maart 1916.
G. G. IV. c. 2991.

27 maart 1916 maandag Sint Niklaas

Wij moeten onze meldingskaart een 4de maal door de Duitschers laten afstempelen die op’t stadhuis in de Oude Raadszaal zetelen. Wij drinken tegenwoordig in plaats van koffie gebrande gerst die een aangename smaak heeft.

uit NRC overgeschreven
19160327 – N’en Engelsche en n’en Duitsche torpedojager in de Noordzee vergaan tijdens een aanval op de luchtschepen loods van Sleechwich-Holstein. 

zie ook http://www.oorlogsdagboek.org

Bevattelijke onderrichting omtrent de schurft bij paarden en andere eenhoevige. ***
Het sterkere heersen der schurft hij paarden en andere eenhoevige binnen het gebied des General Gouvernements maakt het invoeren van de verplichting tot aangifte en andere afweermaatregelen nodig.

Met het oog hierop wordt hieronder een bevattelijke onderrichting omtrent deze plaag bekend gemaakt.
Wezen en verspreiding. De schurft van paarden en andere eenhoevige (ezels, muildieren, muilezels) is een aanstekelijke, door kleine met het blote oog niet of nauwelijks zichtbare diertjes (mijten) veroorzaakte, langzaam verlopende huidziekte. Het overdragen van de schurftmijten op gezonde dieren geschiedt ofwel onmiddelbaar van de besmette dieren of middelbaar door besmette voorwerpen (stalvoorwerpen, stalgereedschap, getuig, zadeltuig, poetsgereedschap, dekens, klederen der voer- of stallui, dissels, enz.)

De schurftmijten kunnen tot 8 week lang levenskrachtig en aanstekelijk omgedragen worden. Ziekteverschijnselen op de dieren. Al naar gelang er hij de besmetting vele of weinige schurftmijten op een gezond dier overgedragen werden, is de tijd, die tot het uitbreken der eerste ziekteverschijnselen verstrijkt, verschillend en wisselt tussen 2 en 3 week en meer.

Geregeld kenteken der schurft is geweldig jeuken, dat de dieren dwingt zich te schuren of te bijten aan de zieke plekken; verschijnen van bobbels of blaasjes evenals van korsten en kloven op de besmette huiddelen; in erge gevallen verliezen van het haar en verdikken en rimpelen der huid die aan de oppervlakte vochtig en bloedig of met schurftachtige uitslag kan bezet zijn. Aanleiding tot jeuken is stal- of zonnewarmte. Krabt men de zieke plekken, zo geven de dieren zichtbaar behagen te kennen, door aan te drukken, door intrekken van den rug en trillen en opkrullen van de lippen. De schurft kan het gehele lichaam aantasten. Zij begint geregeld aan den kop, aan den hals, aan de schouders, aan de zijkanten der borst of op den rug waar de zadel ligt, onder het vormen van kleine kale plekken, die later samenlopen en grotere, kale, met korsten en roven bezette plekken vormen kunnen. In andere gevallen verschijnt de plaag aan meer gedekte plaatsen, aan de wortelen der manen, onder het kuifhaar, aan den staart, in de keelgroeve en aan de binnenzijde der billen en begint met hier scherp afgetekende kale plekken te vormen, die zich allengs uitbreiden en geleidelijk echter ook tot grotere naakte, met korsten en roven bezette plekken samenlopen.

Meldingsplicht en maatregelen voor tussenkomst,
Wanneer paarden en andere eenhoevige onder schurftverschijnselen of andere kentekenen, die het uitbreken der schurft laten vrezen, ziek worden, moet de burgemeester zonder uitstel verwittigd worden en moeten de zieke of verdachte dieren van plaatsen, waar gevaar voor besmetting van andere dieren bestaat, verwijderd worden.

Behandeling. Het bestrijden van de schurft geschiedt door smeerzalven en baden, die door den veearts voorgeschreven worden. Behandeling door den veearts is onvermijdelijk nodig om een spoedige genezing der plaag te verzekeren, die anders weken en zelfs maanden kan duren,

afbeelding paardenschurft
http://www.dierenklinieklemmer.nl/medische-info-huisdieren/info-paard/huidaandoeningen-bij-het-paard/

26 maart 1916 zondag Sint Niklaas

Dezen morgend om 9 1/2 uur B.U. heeft de 1ste dienst plaats in den Protestanschen tempel (Zaal Academie Brouwerstraat). Deze zaal dient terzelfdertijd als feestzaal der Duitschers!

zie ook http://www.oorlogsdagboek.org
uit NRC overgeschreven
19160326 – De Duitsers schieten Verdun in brand. 
19160326 – Offensief der Russen voor Dunaburg. 

Verordening*** betreffend de bestrijding van de schurft bij paarden en andere eenhoevigen.

Art. 1. Is een paard behept of verdacht behept te zijn met schurft, dan moet daarvan hij den burgemeester der gemeente waarin zich het besmette of verdachte dier bevindt, terstond aangifte gedaan worden. De aangifte is ook verplichtend wanneer paarden met schurftige dieren in aanraking gekomen zijn. De verplichting tot aangifte treft den bezitter of dezes lasthebber, verder de geraadpleegde veeartsen en aangenomen veeartsen.

Art. 2. De schurftige of verdachte paarden moeten door den bezitter of dezes lasthebber reeds voor het ingrijpen van den burgemeester zo afgezonderd worden, dat er geen gevaar voor verbreiding van de plaag bestaat.

Art. 3. Stelt de vanwege den burgemeester bijgeroepen veearts vast dat paarden de schurft hebben of er van verdacht zijn, zoo moet de bezitter de aangetaste of verdachte paarden aanstonds aan de behandeling van een veearts onderwerpen, tenware hij verkiest de dieren te laten afmaken. Samen met de behandeling moeten de stallingen, het tuig, het gereedschap en alle andere voorwerpen, die met de aangetaste of verdachte paarden in aanraking gekomen zijn, volgens de voorschriften van den bevoegden veeartstoeziener ontsmet worden.

Art. 4. De schurftige en de verdachte paarden mogen, zolang de voorbehoedende maatregelen niet opgeheven zijn, noch op vreemde stallen, noch op een weide gebracht worden, waarop gezonde paarden grazen. Voor afloop der behandeling mogen schurftige paarden binnen de veldgrens van de gemeenteomschrijving aan het werk gesteld, maar met gezonde paarden noch ingespannen noch anders in rechtstreekse aanraking gebracht worden. Getuig, dekens, roskammen, borstels, enz., die voor aangetaste paarden gebruikt werden, mogen alvorens ontsmet te zijn voor onverdachte paarden niet gebezigd worden. Zolang de voorbehoedende maatregelen niet opgeheven zijn, mogen de schurftige of verdachte paarden niet van hof veranderen.

Art. 5. Huiden van schurftige paarden mogen het besmette hof alleen in volkomen gedroogden toestand verlaten.

Art. 6. Is de behandeling binnen 2 maand na het vaststellen der plaag niet geëindigd, zo moet de burgemeester bevelen, dat de paarden op stal blijven. In grotere steden kan de burgemeester, terstond na het vaststellen van de plaag en zolang de behandeling duurt, de afzondering van de schurftige paarden binnen een stal opleggen.

Art. 7. Meldt de bezitter dat de behandeling geëindigd is, zo moet de burgemeester de paarden door den aangenomen veearts laten onderzoeken. De plaag geldt dus verdwenen en de opgelegde maatregelen houden op:
a) wanneer de schurftige of verdachte paarden gestorven of gedood zijn, en indien de ontsmetting
regelmatig werd uitgevoerd,
b) wanneer volgens de verklaring van den veeartstoeziener, binnen 6 week na afloop der behandeling na voltrokken ontsmetting, zich geen verdachte ziekteverschijnselen meer hebben vertoond.

Art. 8. Alle voor paarden voorgeschreven maatregelen gelden ook voor andere eenhoevige (ezels, muildieren en muilezels).

Art. 9. Overtredingen der bepalingen van art. 1 — 5 en der volgens art. 6 genomen schikkingen worden met 100 tot 1000 mk. boete of met ten hoogste 3 maand gevangenis gestraft. Beide straffen kunnen ook tegelijk uitgesproken worden. Bevoegd zijn de Duitse krijgsbevelvoerders en krijgsrechtbanken. Brussel, den 16n Maart 1916.

24 maart 1916 vrijdag Sint Niklaas

De gardevils en pompiers van St Nikolaas worden op de Groote Markt door de Duitsche commandant geinspecteerd. De pompiers moeten voor hem al hunnen oefeningen doen.

niets overgeschreven uit NRC
zie ook http://www.oorlogsdagboek.org

Verordening *** betreffend het verzekeren van den gang der zaken in het beheer der gemeente Etterbeek. Gezien de stemmingen in de zittingen van den gemeenteraad van Etterbeek in den loop der laatste weken telkenmale staking der stemmen opleverde, ten gevolge waarvan de ter stemming gelegde ontwerpen van de gemeentewet telkens als verworpen gelden, gezien daardoor volkomen stilstand in den gang der zaken van het beheer der gemeente ingetreden is, gezien deze toestand, die een bedreiging voor de openbare veiligheid betekent, tussenkomst nodig maakt, verorden ik voorshands:
Wordt in den gemeenteraad van Etterbeek een door het college van burgemeester en schepenen ingediend ontwerp tweemaal achtereenvolgens door staking van stemmen verworpen, of wordt in zake van een ontwerp, ingediend door het college van burgemeester en schepenen, hoewel tweemaal door dit college ter beraadslaging voorgelegd, door den gemeenteraad, hetzij wegens ongeschiktheid tot het nemen van een besluit, hetzij wegens weigering erover te beraadslagen of te beslissen, geen geldig besluit genomen, dan beslist de bestendige deputatie van den provincieraad der provincie Brabant op voorstel van het college van burgemeester en schepenen over het ontwerp. zulkdanige beslissingen van de bestendige deputatie zijn aan de goedkeuring van den General gouverneur in België onderworpen. Brussel, den 21n Maart 1916.

de kepie is van de brandweer maar niet van Sint Niklaas

23 maart 1916 donderdag. Sint Niklaas.

Niets te melden

zie ook http://www.oorlogsdagboek.org

niets overgeschreven uit NRC

Verordening *** betreffende het zenden van liefdegiften aan gevangenen. De in Duitsland geïnterneerde Belgische gevangenen worden goed en ruimschoots gevoed en behoeven de uit België toegezonden liefdegiften volstrekt niet tot hun levensonderhoud. Anderzijds is het stilaan
moeilijker geworden in het onderhoud der armere Belgische bevolking te voorzien, zodat een nodeloos uitvoeren van de onontbeerlijke levensmiddelen niet langer kan worden geduld. Ik bepaal daarom wat volgt:

I Van den Isten April 1916 af mogen niet meer dan één pak van 5 kgr. en als brief een pakje van 500 gram per maand aan elke in Duitsland geïnterneerden Belgische gevangene uit het gebied des Generalgouvernements verzonden worden. Hetzelfde geldt voor de niet-Belgische gevangenen, die voor den oorlog hun vaste burgerlijke woonplaats binnen het gebied des General gouvernements hadden, of naaste verwanten aldaar hebben.

II De pakken en pakjes mogen geen vlees, vleespreparaten, vet en suiker, zomin als brood, koek en andere uit meel vervaardigde eetwaren inhouden.
Evenwel blijven groenten en verduurzaamd fruit, vispreparaten en chocolade, naast andere genotmiddelen, sigaren en dergelijke, ook verder toegelaten.
De voorwerpen, waarvan de verzending hij vroegere verordeningen verboden werd, blijven voor als na verboden, uitgenomen drukwerk, waarvan de verzending in brief- of vrachtpakjes voortaan toegelaten is, zover de inhoud ervan niet over den huidige oorlog handelt noch tegen Duitsland gericht is. (Het onderzoek geschiedt door de censuur in het kamp.)

III. Wie opzettelijk of uit nalatigheid in strijd met de bepalingen dezer Verordening handelt, wordt met ten hoogste 1000 mark. boete gestraft, die voor onbemiddelden door ten hoogste 2 maand gevangenzetting vervangen wordt. De plaatsvervangende Generalkommandos in Duitsland zijn verzocht geworden, de boventallige pakken en pakjes in beslag te nemen en naar eigen goedvinden te nutte te maken. Met pakken en pakjes, die verboden voorwerpen bevatten, wordt op de zelf de wijze te werk gegaan. Het verzenden van liefdegiften wordt voor als na door de „Agence Belge de Renseignements’ en hare
hulpkantoren bezorgd. Brussel, den 17 n Maart 1916.

afbeelding uit le Pays de France 1914 september

22 maart 1916 woensdag. Sint Niklaas

Geen nieuws.

zie ook http://www.oorlogsdagboek.org

uit NRC overgechreven
19160322 – 2 Noordsche stoombooten door de Duitscher getorpedeerd. 

Uitvoeringsvoorschriften *** tot de Verordening van 1sten Maart 1916 over het invoeren van goederen.

Op grond van art. 6 der Verordening van 1sten Maart 1916 over het invoeren van goederen wordt het volgende bepaald:
§ 1. Voor de aanvragen om invoertoelating moeten formulieren volgens het aanhangsel gebezigd worden. De aanvragen moeten in twee exemplaren worden ingediend. Bij verzending per spoor of per schip moeten bovendien behoorlijk ingevulde vrachtbrieven worden overgelegd.

§ 2. Voor het verlenen van de invoertoelating moet een vierkante stempel van 6 op 10 centimeter gebezigd worden, die links den rijksadelaar met de woorden er rond „Generalgouvernement in Belgien Aussenhandelstelle’ draagt. In den stempel moet de dagtekening der toelating en de handtekening van den afleverende beambte ingevuld worden. In twee exemplaren in te dienen. Aan de Afdeling voor Handel en Nijverheid Buitenhandelskantoor. Brussel, 30, Kunstherlevingslaan. Aanvraag om toelating tot invoeren uit:
1) Des aanvragers a) naam: b) woonplaats: c) straat:
2) Aard der in te voeren goederen: . …….
3) Hoeveelheid (ton, kgr., m., hhm., hl., liter, stuk):
4) Voor rekening van a) naam: b) woonplaats en straat: c) nationaliteit:
5) Bestemmingsplaats:
6) Doeleinde en gebruik:
7) Wijze van verzending (spoor, schip, wagen, post):
8) Inkoopprijs: a) gezamenlijk bedrag: frank. b) voor de eenheid: frank.
9) Wordt betaald: a) in welke munt: samen: b) hoe, waar of door welke bank c) wanneer Ik bevestig de juistheid der voorgaande verklaringen. den 1916. (Handtekening.)
Op onjuiste verklaringen staat straf.
afbeelding uit Illustré maart 1916 paardenkeuring Brussel

21 maart 1916 dinsdag Sint Niklaas

De herfst begint vandaag. Nogal een zachte winter gehad, veel geregend en gesneeuwd doch weinig gevrozen. (foutje van Raphaël)

zie ook
http://www.oorlogsdagboek.org

uit nrc overgeschreven
19160321 – De Rus herneemt wederom 2 dorpen. 
19160321 – Ispahan door de Russen in Perzië bezet. 
19160321 – N’en Noorschen en Deenschen boot door de Duitsch in den grond geboord. 

Met het oog op de uitvoering der Verordening van 25 Februari 1916 betreffend de voertaal in de gemeentescholen, aangenomen en aanneembare scholen van Groot-Brussel (Wet- en verordeningsblad Nr. 186) wordt hierbij bepaald hetgeen volgt:
I Gebied Groot-Brussel. Overeenkomstig artikel 6 uit de wet van 12 Mei 1910 betreffend de studie der moderne talen in het middelbaar onderwijs van den hogeren graad, omvat het gebied Groot-Brussel volgende gemeenten: Anderlecht, Brussel Etterbeek, Vorst, Elsene, Sint-Pieters Jette, Koekelberg, Laken, Sint-Jans-Molenbeek, Sint Gilles, Sint-Joost-tenode, Schaarbeek, Ukkel.

II Verklaring der Gezinshoofden. De eentalige klassen (artikel 6 der Verordening)
zullen bij het begin van het schooljaar 1916-1917 ingericht worden voor de scholieren van de twee eerste jaargangen
bij het begin van het schooljaar 1917-1918 voor de drie eerste jaargangen, en zo verder. De hoofdopziener zal voor den Isten Juli van ieder jaar het hoofdbeheer laten weten hoeveel formulieren
(bijlage 1 en 2 der Verordening) er voor elke school nodig zijn; dit laatste zal de formulieren aan de schoolhoofden laten geworden. Telkens een nieuwe scholier zich laat inschrijven, zal de bestuurder der school zonder uitstel de door hem te ondertekenen uitnodiging tot de vereiste verklaring aangaande de moedertaal van het kind (bijlage 1 der Verordening), alsook het formulier voor deze
verklaring (bijlage 2 der Verordening) aan het betrokken gezinshoofd zenden. Voor het opmaken dezer verklaring moet een termijn van acht dagen toegestaan worden, waarvan in de uitnodiging melding dient gemaakt.

III Onderzoek der verklaringen.
Om de gewetensvolle uitvoering van artikel 20 der wet tot regeling van het lager onderwijs mogelijk te maken moet, als eerste en voornaamste vereiste, de moedertaal of de gebruikelijke taal van het kind naar waarheid worden vastgesteld. In de eerste plaats dient de verklaring van het gezinshoofd daarbij tot maatstaf aangenomen zolang niet gebleken is dat zij met de waarheid niet overeenkomt, d. i. dat het kind onbekwaam is de lessen in de aangegeven taal met vrucht bij te wonen. De ondervinding heeft geleerd, dat de verklaringen van de gezinshoofden dikwijls aan een ernstig onderzoek moeten onderworpen worden. Zo dient bij voorbeeld de veel verbreide mening bestreden als zou de taal die in de bewaarschool gesproken wordt noodzakelijkerwijze de moedertaal der kinderen zijn. Om het onderzoek der verklaring van de gezinshoofden ten volle te waarborgen, is het raadzaam, twee Nederlands kennende onderwijzers aan het onderzoek te laten deelnemen. Deze maatregel wordt noodzakelijk, wanneer het schoolhoofd zelf deze taal niet of slechts op onvoldoende wijze machtig is. In dit geval moet het gemeentebestuur of het schoolbeheer de leden van het
onderwijzend personeel aanduiden, die met het schoolhoofd zullen deel uitmaken van de kommissie van onderzoek.
Wanneer het schoolhoofd door onderwijzers is bijgestaan, blijft het niettemin verantwoordelijk voor de gewetensvolle uitvoering van het onderzoek.

Tot grondslag van dit onderzoek zal dienen:
de afkomst van het kind
de taal die door de ouders en in de naaste omgeving van het hind gewoonlijk gesproken wordt,
en inzonderheid de taalkennis van het kind zelf.
Het gebeurt ook, dat het gezinshoofd als moedertaal of gebruikelijke taal van het kind zowel Vlaams als Frans opgeeft. In zulk geval heeft men te handelen alsof het gezinshoofd hoegenaamd geen verklaring had afgelegd (artikel 3 der Verordening).

IV. Het Beroep bij het Schooltoezicht. In de gevallen voorzien onder artikel 2, 2e alinea, en
onder artikel 3 der verordening, heeft het gezinshoofd het recht hij het schooltoezicht in beroep te gaan tegen de beslissing van het schoolhoofd. Ten einde met volle kennis van zaken een oordeel te kunnen vellen, zal de opziener zich naar de school begeven, om de verklaringen van het schoolhoofd te aanhoren en desnoods ten overstaan van het schoolhoofd den scholier opnieuw te ondervragen. De beslissing van den opziener moet op de verklaring van het gezinshoofd aangetekend worden.

V. Inrichting der Klassen. Zodra de moedertaal der scholieren is vastgesteld, zullen de klassen naar gelang van de noodwendigheden ingericht worden. Hierbij mag men niet uit het oog verliezen, dat de bij artikel 6 der Verordening vastgestelde getallen (20 voor een klas en 10 voor een afdeling) slechts minimum-getallen zijn, en dat de klassen en de afdelingen derhalve ook een groter aantal scholieren mogen bevatten.
In beginsel moet het gemiddeld aantal scholieren voor al de Vlaamse en al de Franse klassen van
een gemeente of van een schoolbeheer hetzelfde zijn. Waar dit thans nog niet mogelijk is, dient er naar gestreefd dit doel binnen een afzienbaren tijd te verwezenlijken. Het schooltoezicht zal daar in ’t bijzonder zijn aandacht aan wijden.

VI. Schooltoezicht. Ten einde het schooltoezicht in staat te stellen, de juistheid van de verklaringen der gezinshoofden, het onderzoek der schoolhoofden, evenals de uitvoering der voorschriften van artikel 6 betreffend de inrichting van klassen en afdelingen doelmatig te kunnen nagaan zal het schoolhoofd de overzichtstafels, aan de Verordening als bijlage S en 4 toegevoegd, binnen veertien dagen na het heropenen der school aan den kantonalen schoolopziener laten geworden. De opziener moet bij den aanvang van het schooljaar de scholen bezoeken, in dewelke volgens zijn mening het inrichten van Vlaamse en Franse klassen noodzakelijk is; hij zal onderzoeken hoe deze klassen
ingericht werden, of, in geval zulke klassen nog niet samengesteld zijn, de oorzaken vaststellen waarom daartoe nog niet werd overgegaan. Hij zal tijdens zijn schoolbezoeken inzonderheid moeten nagaan op welke wijze de indeling der kinderen is geschied, in hoeverre de hem, medegedeelde inlichtingen betrouwbaar zijn en of wellicht de een of de andere scholier niet onbekwaam is het onderricht in de taal der klas, waarin hij ingedeeld werd, met vrucht te volgen, Stelt hij dit laatste geval vast, dan moet hij van ambtswege ingrijpen, en den hoofdopziener onverwijld daarvan verwittigen. Hij zal eveneens verslag opmaken over alle onregelmatigheden, die hij zou kunnen waarnemen. De opziener zal verder letten op de bekwaamheden der
onderwijzers op taalkundig gebied (artikel 11 der Verordening). De hoofdopziener geeft voor Isten November van ieder jaar aan het Ministerie een volgens gemeenteschool beheren en scholen gerangschikt algemeen overzicht in te zenden, waarin de gegevens der heide hoger bedoelde tafels (zie bijlage 3 en 4 der Verordening) samengevat zijn.
Het Ministerie zal ten gepasten tijde een formulier voor deze statistiek beschikbaar stellen. De hoofdopziener zal daarenboven ook de onderwijzers aanduiden, die aan de vereiste voorwaarde van artikel 11 niet voldoen, evenals de scholen, waarin een of ander punt van de voorschriften der Verordening niet of op onnauwkeurige wijze ten uitvoer is gebracht. Is het schooltoezicht de mening toegedaan dat in een of ander geval een uitzondering op de voorschriften betreffend het inrichten van klassen op grond van artikel 6, 3e alinea, te rechtvaardigen zou zijn, dan moet de hoofdopziener het Ministerie met nauwkeurige aangifte der redenen daarvan kennis geven.

VII. Verandering van School der Kinderen.
De beslissing aangaande de moedertaal van een kind genomen, blijft geldig zoo lang dit kind een gemeenteschool, een aangenomen of aanneembare lagere school van Groot-Brussel bezoekt. Verandert het kind van school (artikel 5 der Verordening), dan geeft het schoolhoofd het gezinshoofd een bewijsschrift betreffend de taal, in dewelke het kind tot dan toe het onderwijs genoten heeft. Het hoofd der nieuwe school verplicht bij het inschrijven van den scholier te verlangen, dat dit bewijsschrift hem voorgelegd worde, Is dit geschiedt dan verzoekt hij het hoofd van de school, voorheen door het kind bezocht, hem de oorspronkelijke verklaring van het gezinshoofd te doen toekomen, en voegt dezelve hij het archief zijner school. Behoort de scholier tot een der klassen, die onder toepassing vallen van artikel 6 der Verordening, dan wordt hij overeenkomstig de verklaring nopens zijn moedertaal hij een Vlaamse of Franse klas ingedeeld, zover deze in de nieuwe school bestaan of ten gevolge van zijn inschrijving aldaar in te richten zijn; bestaan dergelijke klassen echter niet, dan kan hij zijn studies voortzetten in de taal waarin hij die begonnen heeft.

VIII. Eerbied voor de landstalen. De leden van het onderwijzend personeel zijn de landstalen eerbied verschuldigd. Het is hun streng verboden, zich tijdens de uitoefening van hun ambt met minachting over een dezer talen uit te laten. Overeenkomstig artikel 13, 2e alinea, der Verordening, zijn alle bepalingen uitgaande van het schoolbestuur en gericht tot verscheiden klassen met verschillende voertaal, in deze verschillende talen uit te vaardigen.

IX. Verzachte toepassing. De gemeenten of de schoolbeheerder stellen naar gelang van de plaatselijke noodwendigheden de zogenaamde verzachte toepassing vast, die zij op grond van artikel 10 der Verordening voor hun scholen wensen aan te vragen. Zij moeten hun besluiten voor den 15n Juli van ieder jaar aan den kantonalen schoolopziener laten geworden. Deze zal de betreffende stukken, met zijn opmerkingen aan den hoofdopziener overhandigen, die op zijn beurt er zorg voor te dragen heeft, dat al de besluiten betreffende bedoelde verzachte toepassing, met de daarbij behorende stukken en zijn persoonlijke opmerkingen voor den 15n Augustus van ieder jaar op het Ministerie binnengekomen zijn.

X. Overgangstijd. De bepalingen van artikel 6 der Verordening betreffend het inrichten der klassen zullen trapsgewijze toegepast worden. De scholieren van den eersten jaargang moeten van den In Mei van dit jaar af, overeenkomstig artikel 6 der Verordening, het onderricht in hun moedertaal ontvangen. De hoofdopziener zal uiterlijk op 30 Maart van dit jaar het Ministerie laten weten hoeveel exemplaren van de formulieren ieder kantonnale schoolopziener nodig heeft, ten einde te bewerken dat de uitnodiging tot de verklaring nopens de moedertaal der kinderen bijtijds aan het gezinshoofd en het ingevuld formulier voor deze verklaring (bijlagen 1 en 2 der Verordening) bijtijds aan het schoolhoofd kunne bezorgd worden. De schoolhoofden moeten zodanige maatregelen
treffen, dat het onderzoek van de verklaringen voor den 15n April kan gesloten zijn. Op dezen dag zullen zij de behoorlijk ingevulde labels, in overeenstemming met de bijlagen S en 4 der Verordening, aan den kantonalen schoolopziener zenden. Deze labels zijn voor de eerste toepassing der Verordening alleen met betrekking lot den eersten jaargang op te maken. Het schooltoezicht maakt zijn opmerkingen in het onder het Vie hoofdstuk bedoelde overzicht, dat ten laatste op 1 Mei
van dit jaar op het Ministerie moet binnengekomen zijn. Hoewel voor de indeling in klassen van scholieren, die thans het eerste studiejaar reeds achter den rug hebben, geen wijziging voorzien is, schrijft artikel 15, 17 2de alinea, der Verordening hij wijze van uitzondering dit jaar ook voor deze categorie de formaliteiten voor van de verklaring nopens de moedertaal, evenals het daaruit voortvloeiend onderzoek. Deze formaliteiten moeten dan ooh hij het aanvangen van het eerstvolgend studiejaar terzelfdertijd als voor de nieuwe scholieren vervuld worden. De aangifte van het nodig aantal formulieren, bedoeld in het Ile hoofdstuk, 2e alinea, van deze bepalingen, zal dit jaar dienovereenkomstig aan te vullen zijn. In de scholen met het Frans als voertaal, die door
Vlaamse kinderen bezocht worden, alsook in de scholen met het Vlaams als voertaal die door Franssprekende kinderen bezocht worden, zijn de voorgeschreven bepalingen aangaande het inrichten der klassen hij het begin van het eerstkomend schooljaar voor de kinderen van de twee eerste jaargangen toepasselijk. De andere scholieren mogen hun studie in de vroeger gekozen taal voortzetten. In de scholen met Vlaamse lagere jaargangen, doch waarin de jaargang 3, 4 of 5 tot dusver een overgangsklas vormde terwijl de hogere klassen aan het Frans of het tweetalig stelsel waren onderworpen, wordt de overgangsklas afgeschaft en zullen de Vlaamse kinderen, die in September van dit jaar in deze klas zouden moeten overgaan, verder hun onderwijs in de Vlaamse taal genieten. Brussel, den 18n Maart 1916.

afbeelding Brussel ondergesneeuwd